Stadslandbouw is keuzes maken

(Blog door Jean-Paul Close)

Tijdens de gesprekken in Eindhoven met de vele mensen die iets willen doen op gebied van stadlandbouw ontstaat er steeds een mooi beeld tussen twee werkelijkheden, die van het geld verdienen en die van zelfvoorziening. Eigenlijk is het vergelijkbaar met de rest van ons land en de keuzes die wij dagelijks maken. Laten we eens kijken.

Een stukje grond

Neem nu een stukje grond van een paar honderd vierkante meter. Wat wilt u ermee doen als u zich gaat verdiepen in stadslandbouw? De discussie komt op gang tussen de mensen.

Geld verdienen

Wil ik het benutten om er geld mee te verdienen? Welke keuzes maak ik? Welke gewassen leveren het meeste op en hoe kan ik het veldje het beste benutten? Om er zoveel mogelijk mee te verdienen. In onze regio (Eindhoven) hebben we verschillende voorbeelden. Zo is er op de hoek van de Celebeslaan een driehoekig veld dat jaarlijks allereerst wordt benut voor het telen van bloemen en in een tweede ronde worden sier en consumptie pompoenen gezaaid die rond de tijd van Halloween beschikbaar zijn in alle soorten en maten. Zo levert het veld twee keer winst op voor de belangenpartijen die het uiterst professioneel benaderen met maar een klein groepje mensen.

We hoeven maar door ons land te rijden en we zien veel meer voorbeelden van de eenzijdige gewassen die massaal geteeld worden voor de volume verkoop op geldgedreven velden. Bloembollen, mais, prei, aardappelen, enz. Het is eenzijdigheid die opvalt en die veelal is afgestemd op  omzetmogelijkheden.

Tulpen voor de verkoop
Tulpen voor de verkoop

Zelfvoorziening

Even verderop in dezelfde staart heeft de Wasvenboerderij een groentetuin waarin de diversiteit voor eigen gebruik in het restaurant zichtbaar is. Er staan geen eenzijdige plantensoorten maar een veelvoud van groenten in verschillende groeifasen en rijping. Er is ook wel een verbinding met geld verdienen omdat de oogst gebruikt wordt binnen het restaurant maar toch geeft het een aardig beeld van het verschil in gebruik van een lap grond afhankelijk van de keuze die men maakt.  De diversiteit van plantengroei is opvallend omdat het is afgestemd op eigen gebruik. Men hoeft het niet in te kopen.

Diversiteit van permacultuur
Diversiteit van permacultuur

In de omgeving van Eindhoven en de meeste steden zijn allerlei stadslandbouwveldjes te zien waar je de keuzes van de eigenaren kunt aanschouwen door de eenzijdigheid of diversiteit van de soorten die erop staan in de loop van het seizoen.

Stadslandbouw

Nu is stadslandbouw een nieuwe tak van sport waarbij private en publieke ruimtes gebruikt kunnen worden vanuit dit soort keuzes waar er nog een aantal aan kunnen worden toegevoegd. Een stad is historisch gezien altijd benut vanuit grond en vastgoedbelangen waar rondom heen allerlei menselijke activiteiten werden georganiseerd die niets met voedsel of de natuur te maken hadden. De stad was vooral een concentratie van materieel belang waar veel mensen samen drommen om te handelen, plezier te maken, of samen te wonen en werken. Een stad is voor een verzamelplek van veel mensen met een grote geldconcentratie en bijbehorende dynamiek, maar ook grote afhankelijkheid. Zonder geld kan een stad niet functioneren.  De stad draait om distributie en een soort mierennest van menselijke belangen. De natuur is er bij traditie uit geweerd.

Moderne inzichten tonen dat het weghalen van de natuur erg nadelige effecten heeft op de bewoners van de stad. De temperatuur van een stad is gemiddeld hoger dan buiten de stad. De stad vervuilt de atmosfeer doordat plantensoorten, die zuiverend werken, er niet aanwezig zijn. De stad heeft last van wateroverlast bij zware regenval doordat oude waterstromen zijn vernield door de fundamenten van de oude stedenbouw . En ga zo maar door. Die concentratie van eenzijdige belangen heeft ervoor gezorgd dat de natuur uit de stad is verdwenen. Zelfs de mens in de stad weet nog amper wat de natuur is. Dat heeft geleid tot consequenties waar men nu van terug aan het komen is. De kosten van deze consequenties vormen een secondaire economie (algemene vervuiling en natuurlijke onbalans) die drie tot zeven keer zo snel groeit als de primaire stadseconomie (van consumptie).

Gezonde stad

Nu gingen de mensen niet naar de stad puur om hun gezondheid. De aantrekkingskracht van de stad was op vele fronten juist belangrijker dan de gezondheid. Maar ongezondheid is een last en als de consumptie economie hapert door crisissen of ander oorzaken dan is de last wel erg voelbaar. Om de stad gezonder te krijgen kunnen allerlei maatregelen getroffen worden maar de eenvoudigste is om de natuur weer toegang te geven tot het stadsgebied. Dat gebeurde vroeger door bomen te planten die sterk genoeg waren om de luchtvervuiling te weerstaan. Veel steden hebben zo lange rijen platanen langs hun wegen geplaatst (Bijv. Barcelona). Maar in onze moderne tijd willen we kijken naar meer multifunctionele toepassingen. Want planten leveren niet alleen een mooi gezicht, ze zijn ook warmtewerend, geven voedsel, zorgen voor energie, waterhuishouding, zijn goed voor de menselijke psyche, enz.

De toepassing van stadslandbouw kan de gezondheid van de stad positief beïnvloeden door de terugkeer van de natuur in onze omgeving. Maar ook dat heeft weer consequenties. Bloemen en planten brengen allerlei andere diersoorten (insecten, vogels) met zich mee waar we niet meer aan gewend zijn in de stad. Ook merken we dat mensen gaandeweg allergien hebben ontwikkeld en minder weerstand hebben tegen pollen en andere effecten van de natuur. De mens en natuur zijn uit elkaar gedreven en het naar elkaar toebrengen levert een nieuwe ongekende reactie van gewenning op. Het benutten van de daken en de muren in de stad voor levend groen en water is een onbekend gebied van innovaties waar de mens nu aan toe is. Het gaat dan niet alleen om voedsel maar ook alle bijkomende neveneffecten die van invloed zijn op onze kwaliteit van het leven. Er ontwikkelt zich gaandeweg een nieuwe stadscultuur waarin ook weer de keuze van geld verdienen en zelfredzaamheid een rol speelt die door de verschillende disciplines van de stad op een andere manier worden geïnterpreteerd.

Professioneel vrijwilligerswerk

Zo kan de overheid van de stad zich misschien bekommeren om de gezondheid die een positieve weerslag heeft op de kosten van de zorg en de productiviteit van de bevolking. Maar het bedrijfsleven zal zich ook transformeren om de binnenstedelijke voedsel en energie ontwikkeling een plekje te geven. De voor en tegenstanders van natuur in de stad, met alle bijverschijnselen van dien, zullen ook met elkaar overweg moeten. De openbare ruimte is voor iedereen maar als er voedsel wordt geteeld dan blijken er eigenaren te zijn. Hoe gaan we ermee om? Het zijn allemaal vraagstukken die wij in de Stad van Morgen meenemen in onze proefgebieden. Door het Sustainocratisch aan te pakken leggen we een verbintenis tussen deze ontwikkelingen en een menselijk belang. Zo speelt bij stadslandbouw het thema “zelfredzaamheid” een grote rol. We kunnen de mensen weer leren omgaan met samenwerking, onderling overleg en waardecreatie. Maar bij levend groen speelt “gezondheid” ook een grote rol. Het gaat er bij ons niet zo zeer om het eigenaarschap van het voedsel (dat natuurlijk respectvol dient te worden verdeeld al nagelang inzet en talent) maar vooral om de effecten op de natuur van de mens en de duurzame vooruitgang die wij boeken door hier open mee te experimenteren. Die vooruitgang wordt dan gerelateerd aan algemene menselijkheid (gezondheid, veiligheid, zelfredzaamheid) en niet de gefragmenteerde eigenbelangen.  Daardoor zijn wij ook in staat om verschillen van inzicht en belangen te overstijgen met het hogere doel. Betrokken zijn de overheid, de burgerbevolking, de ondernemers, de scholen en de wetenschap. Dat levert alles te samen altijd wel een stapje vooruit op ongeacht de onderlinge schermutselingen of verschillen.

Als je druk bent met de stukjes overzie je het geheel niet

Als ik mensen en organisaties vraag om mee te doen aan mensgedreven sustainocratische projecten dan wordt ik geconfronteerd met de verwarring rond de gefragmenteerde belangen van elk van hen. Men is zo getraind om vanuit de stukjes van het grote belang te redeneren dat men het geheel niet overziet. En dat is niet zo vreemd want “het geheel” waar ik het over heb is “de mens en haar duurzame vooruitgang”. Mijn gesprekspartners redeneren in termen van economie, geld en kosten, en verbinden dit aan iets concreets, iets tastbaars, zoals een product, een dienst, een consequentie, een ziekte, een verandering, een optimalisatie, een advies….

Mijn gedrevenheid gaat over menselijke belangen zoals gezondheid, veiligheid, vitaliteit, dagelijks eten en drinken, wonen en bewustwording. Het zijn thema’s die één maatschappelijk geheel vormen in een maatschappij met duurzame ambities van stabiliteit en leefbaarheid. Voor mijn economische gesprekspartners is het te abstract, niet tastbaar genoeg. Dat ik vanuit die abstractie van menselijkheid terugwerk naar de huidige werkelijkheid, waarin die menselijkheid ver te zoeken is, blijkt voor die gesprekspartners veelal te ingewikkeld. Men reageert dan dat als ik een product of dienst wil ik het van hen kan kopen. Als ik de mens centraal stel wordt mij een product aangeboden. Zo ben ik omringd door aanbiedingen. Maar ik wil geen producten, ik wil een gezonde maatschappij. Hoe verbind ik het een met het ander?

Organisaties concurreren om producten aan mij te verkopen terwijl ik hen vraag om samen met mij een gezonde maatschappij te maken. Men vraagt mij dan of ik budget heb, hoeveel producten ik van hen nodig heb en wanneer? Wordt de maatschappij gezond als ik die producten koop? Of toepas? Ik denk het niet. Daar is meer voor nodig. Dus waarom zou ik ze kopen? Als we die producten of diensten bedenken en samen toepassen om een gezonde maatschappij te creëren, lukt het dan? Ik weet het niet maar het is het proberen waard. Dan stoppen we de creativiteit niet in concurrentie ten behoeve van geld verdienen maar gebruiken we het in waardecreatie ten behoeve van onszelf. Dat is lastig voor degenen die geld als doel hebben gesteld, minder lastig voor degenen die zich willen onderscheiden vanuit een concrete toegevoegde waarde.

Als men met mij samenwerkt vanuit dat onderscheidende vermogen dan hoeft niemand meer te concurreren want het gaat niet meer om het product maar om de resultaatgedrevenheid van de samenwerking. De ondernemer verbindt zich niet met mij door iets te verkopen maar met het eindresultaat waaraan waarde kan worden verbonden door iets bij te dragen. Het resultaat wordt uitgedrukt in gezondheid of veiligheid, twee basis zekerheden van duurzame menselijke samenlevingsvormen. Dat is de moeite waard om voor samen te werken.

“Maar wie betaalt ervoor?” Dat is altijd een grappige vraag want uiteindelijk wie heeft ervoor gezorgd dat de huidige maatschappij ongezond zou zijn? In onze consumptie gedreven structuur hebben we daar allemaal onze stinkende best voor gedaan én voor betaald. Als we dan weer een gezonde maatschappij willen hebben zullen we er allemaal voor moeten investeren, niet “iemand die de opdracht geeft”. We geven de opdracht aan onszelf. Dat wil niet zeggen dat er geen wederkerigheid is in de aanpak maar deze komt niet vooraf. We gaan samen bepalen welke prioriteiten we stellen, wat we daarbij nodig hebben en hoe het gaan aanpakken. Dan pas is ook duidelijk wat voor kapitaal er nodig is, dat zich niet alleen uitdrukt in geld maar ook in de hoeveelheid visie, kennis, menskracht, creativiteit, ruimte, overtuigingskracht, enz. En dan weten we ook wat we terug hopen te verwachten (resultaat) zodat we met elkaar meetbaar vooruitgaan.

Bovenstaande proces welkt vanuit het geheel naar de stukjes. Elk stukje is een onderdeel van de grote interactieve legpuzzel. Alleen de stukjes die zichzelf aanpassen aan de puzzel, dus kennis durven nemen van het geheel kunnen schakelen met hun omgeving om zich in te passen in het totaalbeeld. De stukjes die te druk met zichzelf zijn zullen nooit passend gemaakt kunnen worden en ploeteren voort als concurrerende eenlingen. Ik nodig de ondernemers uit om  zich verankeren in een groter geheel. Dat brengt wel enorme verantwoordelijkheid met zich mee. Met het creëren van een enkel product volstaat men niet want er wordt niet verbonden met het product maar met de creatieve ondernemer die steeds weer met nieuwe toegevoegde waarde komt.

Het blijkt enorm moeilijk om economische partijen te overtuigen om hun individualisme los te laten en deel te nemen aan de onvoorspelbaarheid van een lokale resultaatgedreven coalitie. Het vergt namelijk zelfvertrouwen in het eigen ondernemerschap zelf. Men verkoopt in feite zichzelf op basis van authenticiteit  daadkracht, betrouwbaarheid, betrokkenheid en initiatiefname. Men neemt verantwoordelijkheid in het geheel waardoor men verbintenissen smeedt die veel verder gaan en blijvend tot stand komen dan het leveren van een enkel product tegen een factuur.

Die eigenheid hebben veel ondernemende mensen niet. Men legt alle verwachtingen in het product dat in een concurrentiestrijd alleen maar waarde verliest. Men is bang de eigenheid te verliezen dat men identificeert via het product, geen controle meer te hebben over zichzelf door van het product af te stappen en zich te verbinden aan een waardengerelateerd eindresultaat. Maar het tegendeel is waar. Talent is bijna niet te evenaren als het zich authentiek manifesteert in de groep. Talent wordt gevormd door de eigenheid van de persoon of organisatie in kwestie.  Het product is maar een eenmalig onderdeel van de relatie (korte termijn). Talent verbindt zich aan de maatschappelijke, ethische, milieutechnische en omgevingswaarden die de mens constant beïnvloeden (lange termijn).

Kortom, als je druk bent met de stukjes dan overzie je het geheel niet. Dan ben je bezig met het overleven en niet met het leven zelf. Dat geldt voor ondernemers maar ook voor wetenschapper, scholen, overheden enz. Dat maakt ons eerste sustainocratische proces in Eindhoven, AiREAS genaamd, zo uniek. Want het verzamelt juist al deze partijen op basis van het geheel. Door de lange termijn van ons eigen welzijn en welbevinden te definiëren via gezondheid en omgevingskwaliteit bepalen wij ook onze korte termijn interactie. We draaien de wereld om en zien dan ook bij elke bijeenkomst dat er rust komt, een drang tot presteren vanuit eigenheid, zelfvertrouwen en betrouwbaarheid in de groep ten behoeve van het grote het grote geheel, volledig vertrouwend dat vanuit het geheel men ook op de juiste manier gecompenseerd wordt. Niet vooraf maar naar mate de waarde die we creëren zichtbaar wordt. De mensen die er aan mee doen onderscheiden zich al door zich niet als stukje te zien maar als mens, die door het geheel te dienen zichzelf dient. Zij samen hebben de wereld al veranderd.

Nu de rest nog.

Huidig onderwijs leert niets

De leerprestaties van jongeren zijn onder de maat vindt de inspectie en het ministerie van onderwijs van Nederland. Men plaatst de verantwoordelijkheid van het leren bij de jongeren via een leerplicht maar vergeet daarbij dat leren zich uitsluitend voltrekt vanuit een maatschappelijk context. Als er geen hoger maatschappelijk doel wordt gesteld dan zal er door niemand, jongeren noch ouderen, een leerdoel worden bereikt. Waarom leren? Wat is het nut? Welke innerlijke motivatie spreekt men aan om te leren? Jongeren hebben sinds 1900 in Nederland een leerplicht maar Nederland heeft vooral een onderwijs plicht. In de huidige scholen vormt “onderwijs” een doel op zich aangestuurd door het beleid uit Den Haag waarbij de scholen beperkte vrijheden hebben om zich te ontwikkelen volgens een eventueel eigen maatschappij beeld. Men is afhankelijk van de middelen die per leerling worden toegekend en dient via diploma uitreiking aan een normering te voldoen. Welk verband er ligt tussen maatschappij en normering is veelal ver te zoeken en de leerling is een middel om de school in stand te houden.

In dit huidige onderwijs leert men niets.

Om “het leren” te begrijpen grijp ik even naar een vergelijking die we ook gebruiken voor het bedrijfsleven en de maatschappij zelf, namelijk die van de individuele vrijheid en sturing.

Onderwijs is geen doel op zich maar functioneel binnen een maatschappelijke context

In onze democratie gaan wij uit van grote individuele vrijheid. Maar we gaan er ook van uit dat wij een maatschappij draaiende houden waarin een hoge graad van gemeenschappelijk welzijn wordt genoten. Dat betekent dus ook dat onze vrijheid niet vrijblijvend is maar bij zou moeten dragen aan de inhoudelijk invulling van de maatschappij. Wat die kaders zijn dient maatschappelijk duidelijk te zijn. Dat is het niet. In een geldgedreven consumptie maatschappij is geld en consumeren misschien een maatschappelijk kader waar omheen een economie draait maar opvoedkundig verwachten wij natuurlijk veel meer van een maatschappij. Denk daarbij aan ethiek, sociale cohesie en duurzame vooruitgang. Deze essentiële parameters zijn niet meer aanwezig en als zodanig ook niet te vinden in een onderwijscultuur.

Bij het ontbreken van een hoger maatschappelijk kader dat de hebzucht van een geldgedreven maatschappij overstijgt met ethische normen (zoals sustainocratie de democratie nuanceert met duurzame menselijke vooruitgang) vervalt het onderwijs tot een gefragmenteerde, doelloze overdracht van kennis. Als de leerprestaties van de jongeren dan onder de maat zijn dan duidt dat niet op de jongeren maar op de leeromgeving. De scholen, ouders en de overheid dienen dan vooral bij zichzelf te raden te gaan.

De jeugd is perfect in staat gebleken om van alles te leren binnen de mogelijkheden van hun open vrijheden en vanuit een intrinsieke, ongestuurde motivatie. Denk daarbij aan social media, elektronica en de vele prikkels die een consumptie gerichte maatschappij hen opdringt. Die prikkels raken het eigenbelang zoals Mitra zo mooi vertelt in zijn  toespraak over “The hole the wall”, een experiment in India waarin ongeletterde straatkinderen geconfronteerd werden met een gat in de muur en een computer. De natuurlijke nieuwsgierigheid, de open onderlinge communicatie en concurrentie, samen met de vele dingen die ze met het apparaat konden ontdekken leidde tot verrassende resultaten. Binnen 6 maanden beheersten honderden jongeren vele Engelstalige computerwoorden, wisten ze hoe het apparaat en de software werkte en konden ze aangeven welke verbeteringen erop toegepast konden worden. De onderlinge stimulans zorgde voor een zelflerend proces dat zijn weerga niet kent in de moderne onderwijswereld.

Onze huidige maatschappij is voor de meeste jongeren een gat in de muur waarmee men experimenteert zonder toezicht noch concreet doel. De stimulans die zij krijgen horen bij de normale opgroeiende, zoekende jeugd die is omringd door een cultuur van koopkracht (hebben). Binnen die cultuur spelen ouders de rol van financier en de overheid die van lastpost. Het zwarte gat van de maatschappij waarin de jongeren met hun ongenuanceerde vrijheden experimenteren en elkaar uitdagen tot uitersten vormt een schril contrast met het huidige onderwijs. Dit probeert normen en waarden op te leggen vanuit “verplichtingen” om zodoende enig overwicht te behouden op deze jeugd. Via de leerplicht worden de jongeren geacht om op een bepaalde tijd op school te zijn en na een aantal uren weer weg te gaan. Op de vraag waarom ze naar school gaan wordt geantwoord “omdat het moet”.

Het huidige onderwijs is vooral gefocust op het overdragen van rationele, cognitieve vaardigheden, zoals rekenen, taal en andere tastbaarheden. Naar mate de jongeren ouder worden wordt in het onderwijs van ze verwacht dat ze een vak leren. Wat de overheid vergeet is dat rationaliseren van informatie pas pakkend beklijft in de bewustwording van de jongeren als zij het verwerken middels emotionele en lichamelijke ervaringen. De hele dag in een schoolbank zitten is geen stimulans. Het uit het hoofd leren en automatiseren van de tafeltjes of het leren van de provincies en hoofdsteden van Nederland heeft pas blijvend invloed als het zich verbindt aan de belevingswereld van de jeugd.

Als de jeugd zich niet binnen een grotere maatschappelijke context weet te plaatsen richt zij haar eigen ontwikkeling op de vergelijking met leeftijdgenoten en niet die van een persoonlijke, volwassen toekomst en verantwoordelijkheid. Daarvoor is een referentiekader nodig met de volwassen werkelijkheid.  Onderwijzen gaat niet over het pure cognitieve leerproces maar de bewustwording van zichzelf in een maatschappelijke context. Dat vergt iets anders van het onderwijs dan het afvinken van aanwezigheid lijstjes en het plaatsen van gedragskruisjes bij elke afwijking van de algemene norm. Elk kind is anders, heeft een geheel eigen belevingswereld die positief kan worden beïnvloed door het kind te betrekken bij een hoger doel. Maar dan moet dat hoger doel wél bestaan.

Een kind, een puber of een jong volwassene kan uitstekend zelfstandig leren, uitgedaagd worden, allerlei informatiebronnen verwerken en uiteindelijk uiten in zeer diverse vormen van wijsheden die ontstaan. Alles bepalend is uiteindelijk de cultureel, maatschappelijke omgeving waarin het leerproces wordt gestimuleerd. Als de prikkels gaan over de laatste mode, meer geld hebben dan de ander, al dan niet verantwoordelijkheid nemen, angst of durven, wat heb ik en hoe zie ik er uit, dan zullen de jongeren die prikkels gebruiken in hun reactieproces. Reflectie gebeurd bij jongeren nog sterk op basis van het “eerst doen, daarna leren”, al experimenterend met het leven in de onbevangenheid van de beveiligde creativiteit. Onbevangen omdat zij zelf kunnen experimenteren en beveiligd omdat zij nog worden omringd door ouders en school die verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke inhoud en veiligheid in de ontwikkeling van de onschuld. Reflectie is essentieel maar dient plaats vinden binnen aanvaardbaar nut en kaders die de jongeren kunnen begrijpen.

Het huidige systeem van verplichten, straffen, examineren, normeren en reguleren toont uitsluitend de machteloze beperking van het onderwijssysteem als eenzijdig instrument dat haar verbinding is kwijtgeraakt met het grotere geheel. Natuurlijk passen de jongeren daar niet in omdat zij zelf een holistisch menselijk bestaan en ontwikkeling leiden die niet te minimaliseren valt.

Door onderwijs te ommuren en af te zonderen van de maatschappelijke context mist men de voorbeeldfunctie die de jongeren nodig hebben om  te reflecteren over de theoretische werkelijkheid die hen wordt verkocht als gedragsnorm. Vertrouwen, gelijkwaardigheid, respect, veiligheid, gezondheid, kennis zijn thema’s die genoemd worden in de boeken maar in de omgeving structureel worden verkwanseld. Het gezinsleven bestaat amper, jongeren groeien op van opvang tot opvang, binnen gescheiden ouder situaties, los van familiaire relaties en veelal met allerlei gedragsstempeltjes vanuit de overheid. De norm is utopisch beperkend en de afwijking wordt de norm. Het zijn niet de jongeren die niet voldoen maar hun verplichte leeromgeving waarin ze verplicht worden te doen waar ze geen enkel nut in zien.

Een hoger doel heeft te maken met gezondheid, welzijn, sociale cohesie, onderlinge relatie, zelfkennis en de kennis van de ander, veiligheid, samenwerking, visie, verantwoordelijkheid nemen, een maatschappelijke richting (duurzame menselijke vooruitgang) en alle daaraan gerelateerde kennisbehoeften. Er dient een verbintenis te zijn tussen de unieke persoon en de omgeving die zich samen ontwikkelen volgens een bepaalde natuurlijke, dynamische, evolutionaire code waar de jeugd haar eigenheid op creatieve manier in kwijt kan om de eigen toegevoegde waarde te ontdekken. In een jagersstam zien de jongeren de ouderen op jacht gaan en kijken er naar uit om een keer mee te mogen. Bij een timmerman zal de zoon of dochter geneigd zijn de hamer een keer te pakken en iets te knutselen. Maar als de ouders ’s morgens van huis gaan en ’s avonds thuis komen is er amper interactie en geen enkel volwassen voorbeeld. Ook in de wijken zijn er geen functionele prikkels die de jongeren aanzetten tot het nemen van verantwoordelijkheden.

Kortom, in een maatschappij zonder hoger doel zijn er geen emotionele prikkels die leiden tot een intrinsieke motivatie van de jongeren om iets te leren. Als de school daar ook nog eens negatieve prikkels tegenover zet door een bureaucratische, gefragmenteerde werkwijze, zonder verband tussen reflectieve cognitie en jeugdige emoties met een welhaast militaristische afrekening van aanwezigheid en gedrag, dan ontstaat er een generatie die meer leert op straat dan op school. En dat mag niet de bedoeling zijn.

We zijn toe aan een sustainocratische transformatie van het onderwijs door het weer een structurele, functioneel inhoudelijke pilaar van de maken van duurzame menselijke vooruitgang. Onderwijs is geen gefragmenteerd doel op zich maar stelt de mens centraal in haar duurzame ontwikkeling.

Het onderwijs is dienstbaar aan de menselijke vooruitgang