Tag Archives: vertrouwen

Waar kijkt men naar bij een eerste ontmoeting?

20 jan

Met dank aan LinkedIn en de TED contributie van een onderzoek Psychologe van Harvard, Amy Cuddy, hebben we nu een boeiend idee hoe men bij een eerste ontmoeting naar een ander kijkt.

  • Kan ik deze persoon vertrouwen?
  • Kan ik deze persoon respecteren?

Lees hier het artikel: http://uk.businessinsider.com/harvard-psychologist-amy-cuddy-how-people-judge-you-2016-1

Bij een ontmoeting gaat dit natuurlijk op aan beide kanten. In een wereld van economische belangen vertaalt `vertrouwen` zich al snel in een innerlijke vraag `gaat deze persoon iets van mij wegpakken?´. In intercultureel onderzoek van de Stad van Morgen rond de `angst voor de ander` is dit een prangend aspect dat de sociale relaties met migranten vaak in de weg staat. De Nederlander staat bekend als iemand die een ander op straat scherp aankijkt. Een andere cultuur heeft daar moeite mee. Het enige wat de Nederlander wil is een korte groet. Dit wordt ervaren als een teken van `ik ben te vertrouwen` waardoor de angst of twijfel verdwijnt en de aandacht onmiddellijk verslapt. Men zoekt geen contact maar het wegnemen van onzekerheid. In andere culturen is `elkaar negeren` ook zo´n aspect met de achterliggende gedachten dat `als ik laat blijken dat iemand voor mij niet bestaat dan is het ook geen gevaar tenzij anders blijkt´.

In de Stad van Morgen doen we aan dynamisch en multidisciplinair clusteren van mensen en instanties rondom processen van waardecreatie. Clusteren rond samenwerking en innovatieve productiviteit ontstaat pas als men zich verbindt aan de uitdaging. Vaak komen mensen of bedrijven binnen met de uitstraling `ik kom halen wat er te halen valt´ in plaats van `ik kom helpen om iets van waarde te creëren´. De eerste groep is niet in staat te verbinden en de tweede juist wel.

De eerste groep heeft zich sterk afhankelijk gemaakt van economische belangen, vaak door verplichtingen zoals een hypotheek of maandelijkse lasten, of de druk van een acquisitie/geld gedreven instelling. Zulke mensen en instanties komen niet ver in de Stad van Morgen omdat men onbetrouwbaarheid uitstraalt door gebrek aan verbinding en de focus op korte termijn financieel resultaat zonder bij te dragen aan het waardecreatie proces waaraan het financiële resultaat kan worden ontleend. In feite ontstaat dan waarde-onttrekking, hetgeen de basis blijkt van alle politieke-economische en sociale problemen van deze tijd.

De tweede groep straalt betrouwbaarheid uit door zelfvertrouwen en betrokkenheid bij een waardengedreven proces. Zij verbindt wél en in de multidisciplinaire context krijgt toegang tot de middelen die vrijgemaakt worden om het waardecreatieproces vorm te geven. Men verdient dus twee keer, de eerste keer door betrokkenheid en de tweede door het uitvergroot proces van gecreëerde waarden.

Dynamisch clusteren in de Stad van Morgen draait dus om de energie van de eerste indruk in wederzijdse zin. Als vertrouwen er niet is dan ontstaat er geen band en als vertrouwen geschaad wordt dan loopt een cluster de kans om uit elkaar te vallen. In een werkelijkheid waarin we allemaal door de Staat tot een schuldsituatie gedwongen worden is de Staat de eerste instantie die betrouwbaarheid problemen heeft waardoor sociale cohesie alleen mogelijk blijkt als men zelf anders in de werkelijkheid gaat staan dan de huidige Staat opdraagt. “Het falen van de Staat” is een werkstuk dat draait om de band tussen de gemeenschap en de individu. Als deze band verdwijnt door gebrek aan onderling vertrouwen en respect dan is er geen gemeenschap meer.

De grote maatschappelijke omslag is er dus een op basis van vertrouwen en die kan alleen worden bereikt als we doorbreken in de productiviteit van een participatiemaatschappij (sustainocratie – niveau 4 gebiedsontwikkeling) waarin de Staat faciliteert en de waarden onderling worden gecreëerd en verdeeld in plaats van geroofd door bank en overheid met apathie of anarchie tot gevolg. Multidisciplinaire cocreatie is de weg vooruit en de eerste krachtige voorbeelden zijn zichtbaar geworden in AiREAS, FRE2SH en STIR Academy. Het warme gevoel overheerst en zorgt ervoor dat het groeit alsof we bezig zijn met onze eigen maatschappelijke klimaatverandering.

Salaris en (gebrek aan) vertrouwen

9 aug

De hoogte van het salaris van bestuurders is altijd een punt van publieke discussie zeker als deze exorbitante proporties aanneemt.  Er zijn drie psychische criteria die we in ogenschouw kunnen te nemen als we om wat voor reden dan ook omgaan met organisaties waar beloningen sterk stijgen.

1. Gebrek aan vertrouwen
Hoe twijfelachtiger de legitimiteit van een organisatie des te riskanter het is om er leiding aan te geven. Kijk naar de banksector als voorbeeld. Toen de bank nog een vertrouwensbolwerk was waar men netjes omging met de spaargelden en middelen van de rekeninghouders was de positie van de bankdirecteur er een van aanzien en eer. Het salaris mocht er wezen maar was netjes in verhouding tot de betrouwbaarheid maatstaf. Toen echter de banken vrij gingen speculeren met middelen werd de betrouwbaarheid gaandeweg aangetast en gokte men er op los. De salarissen stegen tot in de wolken omdat het aan criminaliteit grenzende speculatieve leiderschap beloond moest worden als een soort schadeloosstelling vooraf. Je wist per slot van rekening nooit wanneer de onbetrouwbaarheid en risicos aan het licht zouden komen en men de laatste bestuurder zou zijn die alle wanprestaties voor de kiezen krijgt.

In het grote bedrijfsleven heeft lange termijn visie al lang plaats gemaakt voor korte termijn materialisme en opportunisme. Dat zijn twee verschillende specialisaties waarbij de korte termijn een prestatieloon krijgt uitgekeerd terwijl de lange termijn oriëntatie zich een kwaliteitloon toebedeelt. Heel verschillend en in het dagelijks leven duidelijk herkenbaar.

Kijk dus naar de salarissen met uw eigen kijk op ethiek en u zult een omgekeerd evenredig beeld zien. Hoe ethischer en inhoudelijk betrokken hoe minder men verdient. Hoe meer men verdient des te argwanender u met de organisatie om dient te gaan.

En…wie met pek omgaat…..

2. Graad van talentvolle specialisatie
Deskundigheid dient natuurlijk beloond te worden. Als een bestuurder een moeilijke herorganisatie of nieuw positioneringsklus moet doorvoeren dan mag daar best een premie voor betaald worden. De veel voorkomende problematiek die wij zien in de praktijk is dat de echte veranderaars amper beloond worden, hooguit in aandelen voor hun toekomstige prestaties. De verandering en bijbehorende successen kunnen pas erkend worden als ze eenmaal zijn doorgevoerd. Voor die tijd wordt de veranderaar vooral gewantrouwd door al degenen die geen visie hebben en vooral bouwen op het veilige, vertrouwde verleden. Idealisme en visie wordt dus nooit beloond tenzij de veranderaar zelf touwtjes in handen houdt als de waarden van zijn of haar werk zichtbaar worden. Dit zijn de werkelijke ondernemers die zich door een innerlijke kracht laten duwen in plaats van extern blinkend goud. Voor hen is succes meetbaar volgens andere criteria.

De echte rechtstreekse financiële beloning krijgen dan weer de bestuurders die waardecreatie uit gaan vergroten middels groei en speculatie. In het begin gaat dat volgens de normen van deskundig groeiondernemerschap tot en met de volwassenheid van de organisatie. Daarna wordt het weer ingehaald door de externe werkelijkheid van verandering en blijft speculatie over om de oude waarden nog als melkkoe leeg te melken (zie 1).

Kortom,  in de visionairs fase van verandering of pionieren is de beloning minimaal en onbetwistbaar redelijk. Daarna groeit men met talentvolle managers naar volwassenheid met bijbehorende navenante (nooit exorbitante) beloning, totdat het moment van speculatie is aangebroken. Dan knalt de salaris verhoging en bonus cultuur er op los waarna er een vod overblijft van vroegere glorie dat vervolgens overgenomen wordt door een nieuw groeibedrijf. U ziet dus zelf redelijk gemakkelijk wanneer de overgangen plaats vinden.

Veel huidige beursgenoteerde bedrijven zitten in die fase van speculatie en zijn de fase van volwassenheid voorbij. Zij worden leeggehaald waarbij verandering en bijbehorend leiderschap wordt geweerd. Het is erg moeilijk om zomaar van buitenaf het kaf van het koren te scheiden die door de waas van mooie verhalen wordt verdoezeld. Wie zit in het veranderproces met vertrouwen in het leiderschap? Wat groeit ethisch verantwoord en wat wordt leeggemolken? Kijk daarom alleen naar de ontwikkeling van de beloningsstructuur van de bestuurders en dan is precies zichtbaar hoe betrouwbaar of onbetrouwbaar de organisatie is. Door uw eigen keuzes (consumptie, aandelen, franchise keuze, inkoop) af te stemmen op deze peiling helpt u mee om de kwaliteit en duurzaamheid van de omgeving te saneren. Als u erin meegaat dan helpt u de chaos in de hand. Het is dan een kwestie van tijd tot deze u ook bereikt.

3. De “betrouwbare” publieke organisatie
De overheid is in dienst van de bevolking niet andersom. De graad van dominantie van de overheid is proportioneel aan de graad van opgebouwde gemakzucht van de bevolking. In een democratie natuurlijk. In een dictatuur zien we dat uiteindelijk de confrontatie bereidheid van de bevolking doorslaggevend is. Dat gebeurd alleen bij grote onvrede. In beide gevallen draait het om de bereidheid tot actie. Als men “het goed heeft” dan houdt de macht stand, zoniet dan gaat de macht altijd onderuit. Dat is het natuurlijke sturingsinstrument van de macht en bevolking.

Het land mogen regeren in een moderne tijd is een hele eer. Zolang men regeert is men machtig, een macht die de bevolking in vertrouwen en eigenbelang via de stembus heeft toegekend.

Hoe zit dat dan met salarissen van bestuurders? Daarin zijn twee verschillende soorten in te onderscheiden:

* Rechtstreekse verantwoordelijken.
Dat zijn de ministers en kamerleden. Deze dienen altijd “vertrouwen” uit te stralen ook al weten ze zelf vaak beter. Dat doen ze door de eer van de macht ook publiekelijk te waarderen met een salaris dat niet stuitend is. Maar schijn bedriegt. De macht zelf zorgt voor een netwerk van bestuurders die goed voor de eigen belangen zorgen. Kijk waar oud ministers en kamerleden terecht komen in de duur betaalde politieke lobbyfuncties in overheid en geld afhankelijke sectoren. Terwijl men macht uitoefent creëert men een kussen van eigen rijkdom middels gebruik van publieke middelen en het netwerk van voorgangers. Ooit zal men ook zelf afhankelijk zijn van dat netwerk als men in het kielzog van de macht vertoeft. De semi overheid en wereld van geld is dus de speculatie wereld van het publieke domein dat eropuit is zichzelf in stand te houden. Democratisch stemmen is dan een farse die de schijn opwekt van betrokkenheid maar op geen enkele manier dit netwerk beïnvloedt.

* Semi overheid
Dit zijn de organisaties die door de regering worden gevoed door beleid en middelen. Het is tevens het gebied van hoog betaalde functies waar oud regeringsmensen in terecht komen. Bestuurders van deze organisaties zijn veelal onzichtbaar en regelen hun belangen via de interne ondoorzichtige overheidcultuur en netwerk structuur. De overheid werkt met middelen van de bevolking door belastingen, monopolistische staatsbedrijven en staatsschuld. Het zijn dus schijnbaar onbeperkte middelen waarover men beschikt en waar al snel een wildgroei in kan ontstaan die zich aan het blikveld van de bevolking onttrekt, al dan niet bewust. Alleen de belastingdruk is een maatstaf waaraan men kan zien hoe ver men af is komen te staan van de menselijkheid. En ook de salarissen van de laag aan het overheid infuus.

Kijk dus niet naar de salarissen van de regeerders maar naar die in de semi overheid en adviesorganen om de graad van interne overheidcorruptie en gebrek aan ethiek te peilen. Hoe hoger de beloningen van de bestuurders des te slechter het gesteld is met het land en stevent men af op depressies en onrust. Nederland staat op deze manier zichtbaar op de rand van de afgrond als we kijken naar de hoeveelheid zichzelf in stand houdende instanties en bijbehorende beloningen van bestuurders.

Conclusie
Het is niet zo moeilijk om de graad van betrouwbaarheid in een maatschappelijke organisatie te peilen. Gaan de bestuurlijke beloningen buiten proportioneel omhoog dan is de afgrond nabij. Veel moeilijker is om er wat aan te doen. De hele zaak dient in te storten voordat er weer een nieuwe ethische cyclus kan beginnen. Het ligt allemaal aan de menselijke psychologie van gemakzucht (en angst) en hebzucht (ook angst gedreven). Er zijn stromingen die dit aan banden leggen en reguleren volgens moderne inzichten, zoals Sustainocratie. Het kost echter nogal wat tijd voordat dit soort stromingen doordringen tot het maatschappelijke bewustzijn en onderdeel worden van de dagelijkse werkelijkheid. Door de psychologie achter beloningen te doorzien kunnen we ook meewerken aan onze integraal duurzame stabiliteit door onze dagelijkse keuzes erop af te stemmen.

Huidig onderwijs leert niets

8 nov

De leerprestaties van jongeren zijn onder de maat vindt de inspectie en het ministerie van onderwijs van Nederland. Men plaatst de verantwoordelijkheid van het leren bij de jongeren via een leerplicht maar vergeet daarbij dat leren zich uitsluitend voltrekt vanuit een maatschappelijk context. Als er geen hoger maatschappelijk doel wordt gesteld dan zal er door niemand, jongeren noch ouderen, een leerdoel worden bereikt. Waarom leren? Wat is het nut? Welke innerlijke motivatie spreekt men aan om te leren? Jongeren hebben sinds 1900 in Nederland een leerplicht maar Nederland heeft vooral een onderwijs plicht. In de huidige scholen vormt “onderwijs” een doel op zich aangestuurd door het beleid uit Den Haag waarbij de scholen beperkte vrijheden hebben om zich te ontwikkelen volgens een eventueel eigen maatschappij beeld. Men is afhankelijk van de middelen die per leerling worden toegekend en dient via diploma uitreiking aan een normering te voldoen. Welk verband er ligt tussen maatschappij en normering is veelal ver te zoeken en de leerling is een middel om de school in stand te houden.

In dit huidige onderwijs leert men niets.

Om “het leren” te begrijpen grijp ik even naar een vergelijking die we ook gebruiken voor het bedrijfsleven en de maatschappij zelf, namelijk die van de individuele vrijheid en sturing.

Onderwijs is geen doel op zich maar functioneel binnen een maatschappelijke context

In onze democratie gaan wij uit van grote individuele vrijheid. Maar we gaan er ook van uit dat wij een maatschappij draaiende houden waarin een hoge graad van gemeenschappelijk welzijn wordt genoten. Dat betekent dus ook dat onze vrijheid niet vrijblijvend is maar bij zou moeten dragen aan de inhoudelijk invulling van de maatschappij. Wat die kaders zijn dient maatschappelijk duidelijk te zijn. Dat is het niet. In een geldgedreven consumptie maatschappij is geld en consumeren misschien een maatschappelijk kader waar omheen een economie draait maar opvoedkundig verwachten wij natuurlijk veel meer van een maatschappij. Denk daarbij aan ethiek, sociale cohesie en duurzame vooruitgang. Deze essentiële parameters zijn niet meer aanwezig en als zodanig ook niet te vinden in een onderwijscultuur.

Bij het ontbreken van een hoger maatschappelijk kader dat de hebzucht van een geldgedreven maatschappij overstijgt met ethische normen (zoals sustainocratie de democratie nuanceert met duurzame menselijke vooruitgang) vervalt het onderwijs tot een gefragmenteerde, doelloze overdracht van kennis. Als de leerprestaties van de jongeren dan onder de maat zijn dan duidt dat niet op de jongeren maar op de leeromgeving. De scholen, ouders en de overheid dienen dan vooral bij zichzelf te raden te gaan.

De jeugd is perfect in staat gebleken om van alles te leren binnen de mogelijkheden van hun open vrijheden en vanuit een intrinsieke, ongestuurde motivatie. Denk daarbij aan social media, elektronica en de vele prikkels die een consumptie gerichte maatschappij hen opdringt. Die prikkels raken het eigenbelang zoals Mitra zo mooi vertelt in zijn  toespraak over “The hole the wall”, een experiment in India waarin ongeletterde straatkinderen geconfronteerd werden met een gat in de muur en een computer. De natuurlijke nieuwsgierigheid, de open onderlinge communicatie en concurrentie, samen met de vele dingen die ze met het apparaat konden ontdekken leidde tot verrassende resultaten. Binnen 6 maanden beheersten honderden jongeren vele Engelstalige computerwoorden, wisten ze hoe het apparaat en de software werkte en konden ze aangeven welke verbeteringen erop toegepast konden worden. De onderlinge stimulans zorgde voor een zelflerend proces dat zijn weerga niet kent in de moderne onderwijswereld.

Onze huidige maatschappij is voor de meeste jongeren een gat in de muur waarmee men experimenteert zonder toezicht noch concreet doel. De stimulans die zij krijgen horen bij de normale opgroeiende, zoekende jeugd die is omringd door een cultuur van koopkracht (hebben). Binnen die cultuur spelen ouders de rol van financier en de overheid die van lastpost. Het zwarte gat van de maatschappij waarin de jongeren met hun ongenuanceerde vrijheden experimenteren en elkaar uitdagen tot uitersten vormt een schril contrast met het huidige onderwijs. Dit probeert normen en waarden op te leggen vanuit “verplichtingen” om zodoende enig overwicht te behouden op deze jeugd. Via de leerplicht worden de jongeren geacht om op een bepaalde tijd op school te zijn en na een aantal uren weer weg te gaan. Op de vraag waarom ze naar school gaan wordt geantwoord “omdat het moet”.

Het huidige onderwijs is vooral gefocust op het overdragen van rationele, cognitieve vaardigheden, zoals rekenen, taal en andere tastbaarheden. Naar mate de jongeren ouder worden wordt in het onderwijs van ze verwacht dat ze een vak leren. Wat de overheid vergeet is dat rationaliseren van informatie pas pakkend beklijft in de bewustwording van de jongeren als zij het verwerken middels emotionele en lichamelijke ervaringen. De hele dag in een schoolbank zitten is geen stimulans. Het uit het hoofd leren en automatiseren van de tafeltjes of het leren van de provincies en hoofdsteden van Nederland heeft pas blijvend invloed als het zich verbindt aan de belevingswereld van de jeugd.

Als de jeugd zich niet binnen een grotere maatschappelijke context weet te plaatsen richt zij haar eigen ontwikkeling op de vergelijking met leeftijdgenoten en niet die van een persoonlijke, volwassen toekomst en verantwoordelijkheid. Daarvoor is een referentiekader nodig met de volwassen werkelijkheid.  Onderwijzen gaat niet over het pure cognitieve leerproces maar de bewustwording van zichzelf in een maatschappelijke context. Dat vergt iets anders van het onderwijs dan het afvinken van aanwezigheid lijstjes en het plaatsen van gedragskruisjes bij elke afwijking van de algemene norm. Elk kind is anders, heeft een geheel eigen belevingswereld die positief kan worden beïnvloed door het kind te betrekken bij een hoger doel. Maar dan moet dat hoger doel wél bestaan.

Een kind, een puber of een jong volwassene kan uitstekend zelfstandig leren, uitgedaagd worden, allerlei informatiebronnen verwerken en uiteindelijk uiten in zeer diverse vormen van wijsheden die ontstaan. Alles bepalend is uiteindelijk de cultureel, maatschappelijke omgeving waarin het leerproces wordt gestimuleerd. Als de prikkels gaan over de laatste mode, meer geld hebben dan de ander, al dan niet verantwoordelijkheid nemen, angst of durven, wat heb ik en hoe zie ik er uit, dan zullen de jongeren die prikkels gebruiken in hun reactieproces. Reflectie gebeurd bij jongeren nog sterk op basis van het “eerst doen, daarna leren”, al experimenterend met het leven in de onbevangenheid van de beveiligde creativiteit. Onbevangen omdat zij zelf kunnen experimenteren en beveiligd omdat zij nog worden omringd door ouders en school die verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke inhoud en veiligheid in de ontwikkeling van de onschuld. Reflectie is essentieel maar dient plaats vinden binnen aanvaardbaar nut en kaders die de jongeren kunnen begrijpen.

Het huidige systeem van verplichten, straffen, examineren, normeren en reguleren toont uitsluitend de machteloze beperking van het onderwijssysteem als eenzijdig instrument dat haar verbinding is kwijtgeraakt met het grotere geheel. Natuurlijk passen de jongeren daar niet in omdat zij zelf een holistisch menselijk bestaan en ontwikkeling leiden die niet te minimaliseren valt.

Door onderwijs te ommuren en af te zonderen van de maatschappelijke context mist men de voorbeeldfunctie die de jongeren nodig hebben om  te reflecteren over de theoretische werkelijkheid die hen wordt verkocht als gedragsnorm. Vertrouwen, gelijkwaardigheid, respect, veiligheid, gezondheid, kennis zijn thema’s die genoemd worden in de boeken maar in de omgeving structureel worden verkwanseld. Het gezinsleven bestaat amper, jongeren groeien op van opvang tot opvang, binnen gescheiden ouder situaties, los van familiaire relaties en veelal met allerlei gedragsstempeltjes vanuit de overheid. De norm is utopisch beperkend en de afwijking wordt de norm. Het zijn niet de jongeren die niet voldoen maar hun verplichte leeromgeving waarin ze verplicht worden te doen waar ze geen enkel nut in zien.

Een hoger doel heeft te maken met gezondheid, welzijn, sociale cohesie, onderlinge relatie, zelfkennis en de kennis van de ander, veiligheid, samenwerking, visie, verantwoordelijkheid nemen, een maatschappelijke richting (duurzame menselijke vooruitgang) en alle daaraan gerelateerde kennisbehoeften. Er dient een verbintenis te zijn tussen de unieke persoon en de omgeving die zich samen ontwikkelen volgens een bepaalde natuurlijke, dynamische, evolutionaire code waar de jeugd haar eigenheid op creatieve manier in kwijt kan om de eigen toegevoegde waarde te ontdekken. In een jagersstam zien de jongeren de ouderen op jacht gaan en kijken er naar uit om een keer mee te mogen. Bij een timmerman zal de zoon of dochter geneigd zijn de hamer een keer te pakken en iets te knutselen. Maar als de ouders ’s morgens van huis gaan en ’s avonds thuis komen is er amper interactie en geen enkel volwassen voorbeeld. Ook in de wijken zijn er geen functionele prikkels die de jongeren aanzetten tot het nemen van verantwoordelijkheden.

Kortom, in een maatschappij zonder hoger doel zijn er geen emotionele prikkels die leiden tot een intrinsieke motivatie van de jongeren om iets te leren. Als de school daar ook nog eens negatieve prikkels tegenover zet door een bureaucratische, gefragmenteerde werkwijze, zonder verband tussen reflectieve cognitie en jeugdige emoties met een welhaast militaristische afrekening van aanwezigheid en gedrag, dan ontstaat er een generatie die meer leert op straat dan op school. En dat mag niet de bedoeling zijn.

We zijn toe aan een sustainocratische transformatie van het onderwijs door het weer een structurele, functioneel inhoudelijke pilaar van de maken van duurzame menselijke vooruitgang. Onderwijs is geen gefragmenteerd doel op zich maar stelt de mens centraal in haar duurzame ontwikkeling.

Het onderwijs is dienstbaar aan de menselijke vooruitgang