Vrijheid, onderdrukking en vooruitgang

We leven in een land in vrede en daarom kunnen wij in vrijheid denken, zols bijvoorbeeld aan onze vooruitgang. Om deze luxe te bereiken is ook een vorm van onderdrukking nodig. Dat lijken twee tegenstrijdige begrippen, vrijheid en onderdrukking, dus laten we er even bij stil gaan staan. Dit is belangrijk omdat het principe van menselijke vooruitgang juist daar weer mee te maken heeft, zeker nu wij uitgedaagd worden door crisissen in onze maatschappij die ook het begrip “vooruitgang” ter discussie stellen.

Vrijheid
Wat is vrijheid eigenlijk? Is het de vrijheid om je te bewegen? Vrijheid van meningsuiting? Keuzevrijheid? Je mag wel iemand beledigen of uitschelden maar niet slaan of vermoorden. Je mag wel karretjes volladen met voedsel in een supermarkt maar niet ermee weglopen zonder te betalen. Je mag de wereld vrij rondreizen maar niet zonder identiteitsbewijs.

Alles wat je mag doen in vrijheid is dus omringd met voorwaarden en beperkingen. We worden in onze vrijheid dus gestuurd en onderdrukt. Deze “onderdrukking” blijkt noodzakelijk om onze vrede en vrijheid te behouden maar waar begint het en waar houdt het op?

Het “zijn”
Vrijheid heeft een directe relatie met de erkenning van een zelfbewust wezen als zelflerende, zelfstandige identiteit. Deze erkenning is op zichzelf ook een blijk van zelfbewustzijn. We stemmen deze erkenning dus op elkaar af door elkaars identiteit te erkennen. We zijn daarin dus geen boom of lantaarnpaal maar een denkend, redenerend, lerend en actief wezen dat in de medemens haar gelijke erkent.

Deze gelijkwaardigheid in het zijn heeft tegelijkertijd een belangrijke consequentie, namelijk dat wij onderling ook afspreken wat voor een ieder van ons belangrijk is en waardoor wij er bewust aandacht aan moeten besteden. Veiligheid is zo’n thema. Doordat wij een zelfbewust wezen zijn kennen wij ook pijn, lijden en de dood als gegeven van ons bestaan. Elkaar vrijwaren van deze zaken is dan ook belangrijk. We worden dus in ons bestaan door onszelf geholpen door onderlinge afspraken te maken die respectvol zijn naar elkaar toe. Daarin kunnen we verder gaan, zoals samenwerken bijvoorbeeld.

Het “doen”
Nu is de mens ook een levend wezen dat zoals elke levende soort wil voldoen aan haar levensbehoeften. We moeten dus overleven om te kunnen leven. In dat aspect zit een doelbewuste actie die samenwerking maar ook de nodige concurrentie met elkaar kan opleveren. We concurreren om voedsel, woonruimte, een partner, enz. In dat doen willen we wel eens onze respectvolle zijns afspraken vergeten en de agressie ontdekken die onze soort ook eigen is. We komen voor ons eigenbelang op. En dat kan soms erg ver gaan. Hoe ver dit mag gaan is afhankelijk van de omgevingsfactoren waarin de confrontatie plaats vindt. In tijden van oorlog zijn vijanden dodelijk op elkaar ingesteld. In tijden van vrede verwacht men van elkaar een soort tolerantie en overredingskracht.

Dat vergt dan weer een stukje opvoeding en opleiding dat ge-ent is op de eigenheid van een lokale omgeving en bijbehorende cultuurontwikkeling. Het overstijgt de individu waardoor er structuren worden gecreëerd rondom het overleven en leven in een regio. Gaandeweg hebben die structuren allerlei instellingen opgeleverd die ook weer onderling met elkaar omgaan. Denk aan overheden, bedrijven, scholen, enz.

Normen en waarden
Afhankelijk van de omstandigheden leggen wij onszelf dus regels (normen) op die ons onderlinge gedrag bepalen. Wij genieten daardoor vrijheden onder voorwaarden. De voorwaarden (waarden) die wij met elkaar afspreken bepalen onze eigen cultuur van vrijheid en de manier waarop wij elkaar aan kunnen spreken op de uitoefening ervan. We noemen dit “maatschappij”.

Tot zover lijkt het allemaal erg logisch maar waarom zijn er dan zoveel verschillende soorten maatschappij? Waarom wordt vrijheid en onderdrukking overal anders toegepast? En zijn onze eigen vrijheden en opgelegde beperkingen wel zo “normaal” voor anderen?

Dat komt omdat in verschillende gebieden de erkenning van de vrije zelfredzame identiteit, de “ik”, niet voor iedereen en overal gelijk wordt erkend. De vrouw wordt wel eens gezien als bezit van de man, bedoeld om er nageslacht mee op te bouwen, maar niet om in gelijkheid en evenredige veiligheid mee om te gaan. De menselijke “ik” van kinderen wordt soms pas erkend als ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt en sommige maatschappijen hanteren eigen normen en waarden die zij ook verwachten van andere maatschappijen voordat zij de betreffende mensen als identiteit erkennen. De mens is dus niet zomaar eenduidig als mens aan te duiden maar de inkleuring via normen en waarden van de mens wordt als even belangrijk en soms zelfs belangrijker ervaren.

Lokale onderlinge afspraken gelden vaak wel voor de een maar niet voor de ander op basis van leeftijd, geslacht, huidskleur, geloof, geboortegrond, enz. Het is nog niet zo dat de mens in de hele wereld elke mens automatisch in het “zijn” erkent vanaf de geboorte. Die erkenning wordt ook geconditioneerd door de omringende levensovertuiging en het wereldbeeld van die identiteit die zich gaandeweg lokaal in de geschiedenis heeft ontwikkeld. “Ik ben een zelfbewust menswezen” is derhalve niet onmiddellijk voldoende om als zodanig erkend en gerespecteerd te worden. Er zit vaak meteen al een dikke historische schil omheen. Die schil geldt voor lokale veiligheid maar garandeert niet de veiligheid tussen ALLE mensen.

In tijden van duidelijk afgebakende landen en culturen was dit onderscheid redelijk aanvaardbaar. Het leverde soms oorlogen op maar dat was tussen “mens of maatschappij “soorten” – de “wij” en “niet wij””. In ons huidige tijdperk van open grenzen, multiculturele samensmeltingen en een groeiende wereldpopulatie, is het redeneren en blijven handelen vanuit cultuur-historische verschillen niet of nauwelijks te doen. Zijn wij verschillende soorten mensen? Of hebben wij ons anders ontwikkeld in onderlinge afspraken? Dienen wij onze eigen afzonderlijke afspraken van elkaar af te dwingen of bij gemengde culturen de verschillen overstijgen en de overeenkomsten in t elren zien? Gaan wij dan terug naar de menselijke basis? Loslaten en opnieuw beginnen met het maken van afspraken? Zijn er misschien afspraken die we nu al met elkaar kunnen afstemmen zonder afbreuk te hoeven doen aan onze oorspronkelijke levensovertuiging? Hoe gaan we samen om met onze vrijheid en onze noodzakelijke maar verschillende uiting van onderdrukking?

Ethiek
In een multiculturele samenleving is opnieuw beginnen erg lastig. Een levensovertuiging op basis van normen en waarden die men van huis uit heeft meegekregen laat men niet zomaar los. Die berusten op een “waarheid” die erg sterk van binnenuit wordt beleefd. Moet iedereen zich dan aanpassen aan de normen en waarden van het gebied waarin men komt te wonen?

Betekent dat dan ook niet een verplicht, dwangmatig loslaatproces van iemand’s oorsprong? Wat gebeurd er als men geen van beide eist en de mens zelf laat stoeien met de eigen normen en waarden en die verschillen met de omgeving? Wat is dan het nut van lokale wetgeving en wat is “recht”?

De complexiteit waarmee we in onze vrijheid worden geconfronteerd is dat wij de onderdrukking om die vrijheid te beleven op verschillende manieren hebben ingevuld in onze geschiedenis. Daar zijn vaak goede redenen voor aan te wijzen maar de vraag is dan of die ook in deze tijden nog geldig zijn? En waar of wanneer wel? En wanneer niet? Of zijn ze universeel van toepassing (en opeisbaar) als ze ooit onder concrete omstandigheden lokaal zijn ontstaan.

We komen dan op het terrein van de filosofische en praktische discussie van “ethiek”.

Terwijl normen en waarden een duidelijke lokale oorsprong hebben en bepalend zijn voor de manier waarop wij aldaar onderling met elkaar omgaan, hoe verwerpelijk ook vanuit het blikveld van een andere levensovertuiging, gaat ethiek over universele waarden. Ook dit is natuurlijk een delicaat punt omdat ook religies de pretentie hebben om zich daarover te uiten volgens de geschriften en onderbouwing door een of meerdere profeten. Het kan dus zijn dat de discussie over ethiek tot andere conclusies komt dan die van een bepaalde religie. Waarom is dat?

Ook religie is een vorm van onderdrukking om vrijheid te kunnen beleven. Religies zijn ontstaan in de historische perioden van onzekerheid van de zelfbewuste mens ten opzichte van de mystiek van het leven zelf. Territoriale wetten werden aangevuld met goddelijke wetten. Zo werd het bestaansrechtelijke “zijn” vergoddelijkt en het “doen” vermenselijkt om een onderscheid te kunnen maken in bestaan en gedrag, met verschillende vormen van verwijtbaarheid en schuld. Die vergoddelijking is door de profeten verkondigd om de vaak vastgeroeste lokale normen en waarden te doorbreken met universele reflectie. Daar zijn daarna weer menselijke eigenaardigheden geslopen op gebied van macht en hiërarchie door de dogmatische verkerkelijking van de bewust gekozen onderdelen van universele inzichten. Zo zijn er vanuit eenzelfde oorsprong allerlei verschillende geloofsovertuigingen ontstaan die elkaar ook weer beconcurreren vanuit de regerende dogma’s. De “waarheid” heeft op deze manier verschillende interpretaties gekregen. Ga iemand maar een verkondigen dat zijn of haar “waarheid” meer of minder is dan die van een ander…..

De gemiddelde mens heeft angst en schuldgevoelens die gekoppeld worden aan het bovenmenselijke, de dood en onze evolutie (waaronder de vermeende mogelijkheid van een leven na de dood en de opvattingen over het moment van de wederopstanding). Het is logischerwijs enorm moeilijk voor de mens om hierover zonder onzekerheid te durven relativeren. Men laat zich dus graag risicomijdend beïnvloeden en daar wordt vanuit specifieke overtuigingen weer gebruik van gemaakt om grote groepen mensen te binden aan het een of het ander.

In een enkel gebied waar een meerderheid zich uit hetzelfde geloof bediend zal weinig discussie ontstaan. Wanneer echter verschillende overtuigingen naast elkaar trachten te overleven en leven dan kan de discussie erg intens worden. Geloof gaat niet over wat men doet maar wat men gelooft te zijn en van waaruit men het doen relativeert en goedkeurt. Als het zijn geraakt wordt ontstaat er verschil in de beleving van menselijkheid. Dit verlangt dan een belangrijke bestaansrechtelijke discussie met duidelijke afspraken op basis van onderlinge erkenning. Dat laatste is erg lastig als de oorsprong gelegd wordt in een beleving van goddelijk gelijk.

Ethiek gaat over aantoonbare universele wetten die voor een ieder gelden ongeacht religie of lokaal geldende wetten rond normen en waarden. We leggen onze evolutionaire lat dus hoger door geen afstand te doen van onze overtuigingen of regels maar ze ondergeschikt te maken aan een nieuwe soort maatschappij. Dat is lastig als over erkenning van menselijk “zijn” al meningsverschillen zijn. Als de een de vrouw, het kind of een andere huidskleur wel erkent als gelijke en de andere niet, dan lijkt ethiek afhankelijk gemaakt te worden van een wetenschappelijke interpretatie van “wat is een mens?”.  Hanteren wij dan alleen tastbare bewijsvoering, zoals algemene lichamelijke kenmerken en dna? Of ook spirituele, zoals bewustzijn en bewustwording?

Wanneer is een mens een mens? Die vraag op zich is al een rechtsfilosofische ontwikkeling op gebied van bewustwording. De vraag zou ontkend worden door partijen die het antwoord leggen binnen een externe onzichtbare macht waaraan zij zelf waarden aan ontlenen. “De mens” is voor hen van goddelijke oorsprong en dient verantwoording af te leggen aan dat geloof. Maar ook die goddelijke oorsprong wordt door mensen anders ingevuld. Zijn er verschillende goden die zich uiten in de verschillende religies of is het dezelfde God en geven wij andere interpretaties aan die oorsprong?

Kortom. Ethiek stelt de historische interpretatie ter discussie ten behoeve van de bestaansrechtelijke menselijkheid binnen de context van onze universele oorsprong. Wetenschap en geloof dienen zich af te stemmen op duurzame menselijke vooruitgang van alle partijen. Waar we aan toe blijken te zijn is de erkenning van onze verschillen van opvattingen en het respect om die verschillen te aanvaarden en niet te bestrijden. Om dat te doen is het van belang dat er nieuwe overkoepelende afspraken komen die het universele gedrag en de onderlinge relaties bepalen van de mens of mensen. Dat betekent automatisch dat alle andere overtuigingen, zoals religie maar ook lokale wetten op basis van interpretatie van normen en waarden daar ondergeschikt aan worden gemaakt. Gelijkheid in vrijheid zullen dan maar zeggen maar keuze vrijheid in de beperkingen met in acht name van de universele ethiek.

Sustainocratie

Sustainocratie is een op ethiek gebaseerde maatschappijvorm. Het gaat niet in op levensopvattingen of geloofsovertuigingen maar wel op een gemeenschappelijke universele drang van evolutionaire duurzame vooruitgang. De algemene doelstelling die wij formuleren is vrijgemaakt van elke vorm van oordeel. Het individuele “ik ben” besef mag dan gekleurd zijn, de individuele talentvorming en inzet wordt verbonden aan een resultaat-gedreven missie volgens een universeel ethisch kader. Natuurlijk kan er ook discussie ontstaan over het kader maar dat lost veelal de huidige crisissituatie op. Het kader dient veiligheid te bieden waar anders onveiligheid kan ontstaan in een complexe situatie.

Geld
De complexiteit wordt nog groter nu er zich een andere hiërarchie en schuldsysteem heeft toegevoegd aan de discussie over ethiek: geld. Geld is ook verbonden aan “waarden”. De ontwikkeling van lokale economieën van waarden heeft de hele situatie al van een andere dimensie voorzien. Door geld als overkoepelende zekerheid te gaan zien zijn mensen bereid gebleken hun verschillen ondergeschikt te maken. Dat geeft al aan dat de oorspronkelijke geloofswaarheden en oude dogma’s geen onoverkomelijke hindernis vormen om tot een relatief vreedzame gemengde samenleving te komen. Geld heeft de maatschappij al uitgedaagd om te komen tot een status quo rond een hogere maatschappelijke waarde, namelijk geld. Geld is gekoppeld aan materialisme hetgeen via geld een tegenpool is geworden van het immateriële van het geloof. Er is een nieuw omhulsel geschapen die de mens wederom in verwarring brengt, namelijk dat van de maatschappelijke organisatie rond “het hebben”. De angst rond de onzekerheden van het zijn hebben plaatsgemaakt voor hebzucht uit angst te verliezen wat men heeft. Hebzucht heeft de laatste decennia een verontrustende ontwikkeling doorgemaakt die heeft geleid tot een wereldwijde crisis. Maar ook de macht van het geld beleeft ontkenning over universele waarden door zichzelf als enige waarheid te positioneren.

Dit brengt ethiek tot een verdere dimensie en grotere complexiteit. Niemand doet een ander kwaad door het bestaansrecht te koppelen aan een persoonlijk geloofsovertuiging, tenzij men anderen tracht te dwingen tot eenzelfde geloof. Bij hebzucht is er altijd een zuigkracht dat ten kosten gaat van de omgeving en ook de medemens. Hebzucht individualiseert verschillen en geld helpt bij het scheppen van nieuwe normen en waarden. Welke ethische universele wetten dienen zich te ontwikkelen vanuit het materialisme als dit aantoonbaar ten kosten gaat van het bestaansrecht van anderen? Hoe ontwikkelen normen en waarden zich als geld een andere waardesysteem hanteert dan bestaansrechtelijke waarden van identiteit en menselijkheid? Hoe verhouden deze lokale normen en waarden rondom economische doelstellingen zich ten opzichte van ethiek? Welke rechten ontlenen groepen mensen zich ten opzichte van anderen over het hebben en gebruiken van universele tastbare waarden? Is deze discussie hetzelfde of anders dan de ontastbare waarden van geloof?

Conclusie

Normen, waarden, religie, geloof en geld bevatten in onze moderne tijd een unieke en noodzakelijke bestaansrechtelijke reflectie en globale bewustwording  die wij onder brengen in de universele bezielende discussie van “ethiek”. Onze menselijkheid en duurzame vooruitgang is ervan afhankelijk en de discussie wordt al gevoerd. We hebben echter haast. Nu de enige overkoepelende, verbindende zekerheid in de vorm van geld in crisis verkeerd door menselijk misbruik, is de discussie van groot belang. Bij het wegvallen ervan gaan de onderlinge verschillen zich weer manifesteren met het gevaar dat men terug pakt naar oude zekerheden. Dat maakt de multiculturele maatschappij uiterst kwetsbaar en zelfs gevaarlijk. Ethiek zal dus zowel het principe van het materialisme en het immateriële moeten voorzien van duidelijkheid voordat men weer de oude vormen de boventoon laat voeren met alle gevaren van dien.

Sustainocratie is daarbij een neutrale samenleving- en samenwerkingsvorm dat zich concentreert op evenredige waardecreatie en onderlinge verdeling. Binnen Sustainocratie kan het overleg in praktische zin plaatsvinden om zo de integriteit van alle betrokken  partijen te waarborgen en van een duurzame vooruitgang te voorzien.

Nederland wordt klimaatnalatigheid verweten

Als je met wat instrumenten uit de ruimte naar Europa kijkt dan ziet het gebied van Nederland er wel erg roodgekleurd uit.

Het vervuilingsgebied van Europa
Het vervuilingsgebied van Europa

De graad van vervuiling komt grotendeels overeen met de dichtheid van logistieke en industriële activiteiten, de concentratie van de 300 jarige ontwikkeling van het industriële tijdperk. Als je daar ook de economische ontwikkeling overheen legt dan ontstaat er een belangrijke parallel.

Nu heeft deze zelfde evolutie ook een weerslag op de gezondheid van de lokale bevolking en de bijdrage van een gebied aan de klimaatontwikkeling van de wereld. De lokale gezondheidproblemen worden gecompenseerd door een sterke consequentiegedreven gezondheidszorg waardoor mensen weliswaar ongezond maar ook weer opgelapt worden. Daar omheen is ook weer een belangrijke economie ontstaan.

Terwijl de economische drijfveer zich manifesteerde als belangrijkste motor van de samenleving, ontstond tegelijkertijd de drang naar ontkenning van ethische verantwoordelijkheden. Gedurende lange tijd werd vooral rond de hete brei heen gedraaid met het excuus dat oorzaak en effect (nog) amper een wetenschappelijke basis bevatte. Aansprakelijkheid is moeilijk te aanvaarden als verwijtbaarheid nog op losse schroeven staat. Geleidelijk aan begint daar nu verandering in te komen. De wetenschappelijke inzichten die de problematiek bevestigen beginnen door te dringen tot de publieke opinie en de beleidskantoren. Zij doordringen het gordijn van verwarring van zwaar gesubsidieerde rapporten die moeite doen om het geheel te ontkennen.

Als je bovenstaande plaatje zo bekijkt dan mag Nederland zeker ter verantwoording worden geroepen, zowel door de lokale bevolking als door de gehele wereld. Net zoals wij Brazilië vragen om de economie rond houtkap te herzien ten behoeven van de zuurstofvoorziening van de hele wereld mag de wereld ook Nederland vragen haar economie te herzien ten behoeve van klimaat en volksgezondheid van de wereld. Nederland poogt dan wel met haar economische daadkracht maar zou zich ook diep moeten schamen dat die daadkracht verworven is ten kosten van onze natuurlijke omgeving, inclusief de medemens in de wereld. Dan is het zeker terecht dat men Nederland nalatigheid verwijt. Dan blijft er niet veel anders over voor Nederland om haar verantwoordelijkheid te erkennen en twee structurele maatregelen te nemen:

  1. Haar ontkenning te laten varen en open gaan staan voor herpositionering van het land ten behoeve van duurzame menselijke vooruitgang
  2. Een structureel korte en lange termijn innovatiebeleid toe gaan passen waarin menselijke gezondheid, omgevingskwaliteit en veiligheid de basis vormt.

Juist daarin zit ook weer een enorm grote potentiële economische kans. Door verantwoordelijkheid te nemen voor iets waar we nu pas echt iets over te weten komen kan Nederland een intellectuele en bedrijfskundige positie verwerven rond deze maatregelen die uiteindelijk ook door andere dichtbevolkte gebieden zullen moeten worden genomen. Deze expertise geeft weer extra export kansen, net zoals water kennis, huishouding en beveiliging een extra impuls kreeg na de watersnoodramp in 1953. Nu hebben we ook met een milieuramp te maken die de daadkracht van een ondernemend volk zoals Nederland nodig heeft.

Daarnaast vervult Nederland een belangrijke functie in Europa als deltagebied voor logistieke activiteiten. Dat dit vervuiling en klimaatproblemen met zich meebrengt is pas de laatste decennia bekend. De rest van de wereld kan dan wel van Nederland verantwoordelijkheid eisen maar verwacht ook van Nederland dat zij haar huidige rol optimaal blijft vervullen. De verantwoordelijkheid voor het geheel is dus ook van de omringde landen. Door zelf verantwoordelijkheid te gaan nemen kan Nederland ook de Europese gemeenschap vragen om mede-verantwoordelijkheid, niet door zich te laten beboeten maar door samen te gaan werken aan integrale innovatie dat verder gaat dan de aanpak van milieu en klimaatproblemen maar ook de basis van welzijn aandacht schenkt. Daarin kan Nederland en omgeving voor heel Europa en de wereld een belangrijke rol spelen.

Economie versus Sustainocratie

Een van de belangrijkste belemmeringen van de Nederlandse staat om verantwoordelijkheid te nemen voor menselijkheid en milieu is haar afhankelijkheid van de huidige economische structuur van onze financiële huishouding. Men ziet milieu en volksgezondheid nu nog als kostenpost met als gevolg dat de focus ligt op een groei-economie.

Maar dat hoeft juist geen belemmering te zijn maar een grote kans.

Als we sustainocratie ter harte nemen dan plaatsen wij het menselijk belang als voorwaarde voor de democratie. Dat wil zeggen dat de democratie niet meer vrijblijvend wordt maar structureel afgestemd wordt op integraal duurzame menselijke belangen. Als we daaraan de integrale economie verbinden dan schoont het zichzelf op. De huidige economie is gefragmenteerd onuitvoerbaar afhankelijk van onvoorspelbaarheid. Dat zorgt er voor dat de Nederlandse staat geen enkel zich meer heeft op de werkelijkheid omdat die werkelijkheid gewoon niet bestaat. Men is consequentiegedreven hetgeen in deze tijd en met de huidige wetenschap zoveel is als “dweilen met de kraan open”. Dat is niet op te brengen vanuit een geldgedreven schuldsysteem en speculaties. Wij moeten af van de consequenties en de maatschappij bouwen op verantwoordelijkheden. Dat kan de overheid niet alleen, dat is een taak voor de gehele menselijkheid in een gebied.

Sustainocratie is een nutgedreven samenwerking
Sustainocratie is een nutgedreven samenwerking

En dat is precies wat Sustainocratie doet. Het plaatst menselijkheid in het centrum van de belangen en maakt integrale economie (zowel baten als lasten) ondergeschikt aan “het geheel”. Dat wil zeggen dat we de kraan langzaam dicht draaien en de blower op Nederland zetten terwijl we dweilen. Op termijn is de omslag een feit. We worden ons dan ook bewust van verantwoordelijkheden voor lokale zelfvoorziening, hetgeen de gehele bevolking aan het werk kan zetten om bij te dragen aan een stabiele economie van welzijn en voorspoed. En we kunnen het. Gaandeweg is Nederland een land “van het volk” geworden waarin de diversiteit van macht en vrijheid op elkaar inwerken. Sustainocratie bevestigt dit door “macht” autoriteit te geven namens de bevolking en “vrijheid” te voorzien van verantwoordelijkheid.

Daarom is Sustainocratie instantaan toe te passen. Het respecteert de historische machtsontwikkelingen door ze te bevestigen en ze te verbinden aan universeel menselijk  belang dat door de mens zelf gedragen wordt via een duidelijke definitie van duurzame menselijke vooruitgang.

AiREAS

Dat wij dit kunnen toepassen wordt aangetoond door AiREAS in Eindhoven, een coöperatie van verschillende belangen die samenwerken aan een gezonde stad. De coöperatie legt onderling verantwoording af voor de vooruitgang die men samen boekt in de stad. De coöperatie wordt aangestuurd door inzicht in gezondheid en omgevingskwaliteit, dus niet door institutioneel eigenbelang of een individuele machtspositie. Het is een waarden-gedreven samenwerking hetgeen zich ontwikkelt naar een gezonde, integraal duurzame economie op basis van co-creatie. Het vormt een transformatie waarin onze huidige economische kwetsbaarheid zich transformeert naar ondernemende kracht.

Conclusie

Nederland mag dan wel verweten worden voor haar nalatigheid maar dient ook geprezen te worden voor haar openheid en transparantie als het erop aan komt. Macht in Nederland is functioneel ook al wordt er vaak nog misbruik van gemaakt. Dat is mens eigen en zal de komende jaren verder genuanceerd worden naar mate de kracht van het gekaderd loslaten duidelijk wordt. Het kaderen moet dienstbaar zijn naar meetbare menselijkheid en dat biedt Sustainocratie, een Nederlands product dat we eerst op Nederland moeten durven toepassen. Dan zal de huidige zwakte en verwijtbaarheid van Nederland zich ontwikkelen tot kracht en wederom een piek van ontwikkeling vertegenwoordigen van deze regio. Een nieuwe gouden tijd.

Met niets beginnen

In een sustainocratie wordt steeds waarde gecreëerd, een waarde dus die nu nog niet bestaat. Omdat sustainocratie draait om duurzame menselijke vooruitgang wordt de te creëren waarde dan ook uitgedrukt in menselijke waarden. Dat in tegenstelling tot een economie waarin waardecreatie wordt uitgedrukt in geld. Dat onderscheidt wil nogal eens verwarrend werken bij mensen en instellingen die voor het eerst in een sustainocratisch proces terecht komen en volledig gewend zijn om in hedendaagse economische begrippen te denken. Toch zijn die begrippen goed met elkaar te rijmen in deze tijden alleen moet met anders durven te gaan denken.

  • Sustainocratie begint met niets, behalve een startpunt en een stip op de horizon
  • Het “kapitaal” van sustainocratie is net zo menselijk als de waardengedreven doelstelling
  • Het “kapitaal” vertaalt zich in talent, creativiteit, inzet, betrokkenheid, samenwerking, vertrouwen, enz
  • De menselijke doelstelling vertaalt zich in zaken als gezondheid, veiligheid, welzijn, kennisontwikkeling, voedsel (incl water), sociale cohesie, enz
  • Wederkerigheid is ook menselijk in de vorm van de doelstelling zelf, algemene erkenning, waardering, bewondering,  enz.

Veel van deze punten zijn weer terug te vertalen naar een economie van geld maar dan is de waardering er een binnen de holistische context van geld, niet het gefragmenteerde principe van een besparing, een product of dienst. We dienen het totaal te bezien en niet elk noch de som van de fragmentjes. Daarom ontwikkelt sustainocratie zich ook multidisciplinair waarin de gefragmenteerde belangen zich verbinden tot een geheel vanuit een menselijke doelstelling. De mens en de economie komen dan naast elkaar te staan en niet ondergeschikt van elkaar. Economie is daarbij geen doel waar de mens zich afhankelijk van opstelt maar een van de instrumenten ten behoeve van vooruitgang. Als dit goed gebeurd dan ontwikkelt zowel de mens als de economie zich positief ook al wil er een intensieve transformatie plaats vinden binnen deze algemene constatering op niveau van elk van de oudetijdse fragmenten. En dát maakt het proces zo interessant want het raakt alles en iedereen die erbij betrokken is terwijl het geheel en iedereen erop vooruit gaat.

AiREAS als voorbeeld

AiREAS is een nieuwetijdse sustainocratische coöperatie. Nieuwe tijds omdat het concept “coöperatie” volledig vernieuwd wordt. Waar het vroeger in een coöperatie ging om de materiële belangen van de leden gaat het nu om de immateriële belangen van een menselijke gebied. Dat heeft nog geen juridische basis. De leden van de coöperatie dienen dus niet het eigenbelang door als groep op te treden maar het maatschappij-mens-belang. Men onttrekt dus geen waarden uit de omgeving voor eigen zekerheden maar schept samen nieuwe zekerheden in de omgeving waaruit men dan de eigen zekerheden in wederkerigheid haalt. Dat is de wereld op zijn kop voor de meeste partijen.

De waarde die we beogen in AiREAS Eindhoven is een schone en gezonde stad door de kwaliteit van de omgeving (lucht) te relateren aan de gezondheid van de mens en haar dynamische gedrag in het gebied. De stad is nu niet schoon en gezond ook al wordt er door overheid hard aan gewerkt om dat wel zover te krijgen, echter als gefragmenteerd onderdeel van een geldgedreven economie. Voor de overheid is dat dweilen met de kraan open waar dweilen uitgedrukt wordt in kosten. Maar ook de burgerbevolking ondervindt consequenties van het eenzijdige geldgedreven economische aspect omdat er ziektes en ongemakken ontstaan die de leefbaarheid aantasten en uiteindelijk ook het zorgsysteem belasten.

Werk aan de winkel
Werk aan de winkel

Als we dus stappen maken in ons sustainocratische proces van samenwerking dan zal het plaatje er steeds gezonder uitzien. Maar niet alleen dat. De stad en het gebied zal nog steeds enorm dynamisch zijn, zonder blokkerende regels en verordeningen wegens milieuschade omdat we structureel rekening houden met onze omgeving bij onze activiteiten. Bij de integraal duurzame vooruitgang houden we rekening met de effecten van onze menselijke organisatie op ons milieu en daarbij op onszelf. We passen technologische en sociale innovatie constant toe om vooruit te kunnen.

Zo ontstaat er een circulair proces waarin een economie van geld kan gaan rollen. Daarin heeft het geld zelf geen waarde maar stemt het de waarde af met de inzet, talent en betrokkenheid van de deelnemers. Het kan opgebracht worden door de niet deelnemers die het als een belasting ervaren maar dit graag bijdragen omdat uiteindelijk in wederkerigheid men er zelf ook weer in menselijkheid iets mee opschiet. Het goede voorbeeld doet natuurlijk volgen. In een omgeving waarin verandering de enige constante is zal ook de indirect betrokken mens uitgedaagd worden steeds weer iets ondernemends van zichzelf te laten zien. Zo ontwikkelt creativiteit zich positief in toegepaste zin.

Niet iedereen hoeft dan rechtstreeks betrokken te zijn bij AiREAS maar kan indirect erbij zijn door gedrag te veranderen en initiatieven te ontplooien die vanuit weer een andere sustainocratische coöperatieve zich ontwikkelen. Zo ontstaat een dynamische local 4 local, vooruitstrevende gemeenschap waarin een ieder kan bijdragen als initiatiefnemer van sustainocractische processen, volger (deelnemer) of ondersteunende partij (belasting).

Waardengedreven samenwerking
Waardengedreven samenwerking
Boeiend is toch weer altijd dat in het proces men met niets begint, behalve het startpunt (A) en de wens om te werken naar een eindpunt (B) waarin het beter is.

 

Sustainocratie als regionaal samenwerkingsmodel

Het Eindhovens Dagblad beschreef recent de bestuurlijke twijfels van de grote groep burgemeesters uit de regio Zuid Oost Brabant om het huidige, op te heffen, SRE (Samenwerkingsverband Regio Eindhoven) onder te brengen bij de gemeente Eindhoven. Deze twijfel is herkenbaar omdat op deze manier een stuk bestuurlijke macht zich zou kunnen concentreren in de gemeente Eindhoven. Toch is de samenwerking tussen alle gebiedsverantwoordelijken erg belangrijk voor de regio. Denk daarbij aan de onderling afstemming van verkeer en vervoer belangen, infrastructuur, politiezaken, water en andere gemeentegrens overschrijdende zaken.

Sustainocratie als alternatief

Een sustainocratie is geen apart instituut zoals bijvoorbeeld SRE. Het dient ook geen eenzijdige institutionele belangen. Sustainocratie gaat uit van een hogere maatschappelijk doel waaraan multidisciplinaire de vier “O”s samenwerken. Binnen sustainocratie staat de mens centraal als ook haar zelfredzame relatie met haar natuurlijke omgeving. In dat verband is het sustainocratische model een mogelijke vervanging voor het SRE model. Ik noem het SRE model omdat we even vanuit Eindhoven en Zuid Oost Brabant redeneren waar sustainocratie al in experimentele vorm is ontstaan.

De problemen die de overheid (en de rest van de maatschappij) treffen zijn onder andere die van de maatschappelijke lasten en structurele kosten. Verschillende overheidstructuren die elkaar overlappen vormen nu eenmaal een grote kostenpost. In de sanering zullen dus discussies als hierboven (opheffen van bestuurlijke lagen of doublures) moeten worden gevoerd. Onze huidige maatschappij is echter gefragemneerd opgezet in institutionele belangen die veelal onderling uitsluitend een geldafhankelijke relatie hebbe. Daardoor wordt de besparing, herstucturing en herpositioneringsdiscussie los van elkaar in elk van de pilaren (overheid, bedrijfsleven, onderwijs, burgers, enz)  gevoerd. Dat komt omdat men de problemen afzonderlijk van elkaar ziet door de geketende opbouw van de maatschappij.

Gefragmenteerde belangen met onderlinge geldafhankelijkheid
Gefragmenteerde belangen met onderlinge geldafhankelijkheid

Men heeft een onderlinge afhankelijkheid van geld maar redeneert over het algemeen vanuit het institutionele eigenbelang. Het grote geheel wordt daar niet bij meegenomen. De overheid staat los van het bedrijfsleven, de burgers los van deze twee, enz.  Daar brengt sustainocratie verandering in want alle kostenbesparende maatregelen ten spijt, de maatschappelijke uitdagingen blijven onveranderd bestaan en worden zelfs steeds groter.

Sustainocratie vertegenwoordigt een nieuwetijdse aanpak waarin de gefragmenteerde belangen doorbroken worden door ze op regionaal niveau multidisciplinaire en doelgericht te verenigen. Elk van de deelnemende partijen wordt gesterkt in zijn autoriteit door de authentieke kracht te erkennen. Zo is de overheid met name een gebiedsverantwoordelijke die zich faciliterend opstelt met gemeenschapsmiddelen in het stimuleren van duurzame vooruitgang. Die erkenning geeft de lokale overheid werkelijke macht.

Sustainocratie is een nutgedreven samenwerking
Sustainocratie is een nutgedreven samenwerking

Maar zo dient de toegevoegde waarde in concrete waardecreatie (waarde laten ontstaan waar die er nu nog niet is, dus niet uitgedrukt in geld maar menselijke belangen) van de andere partijen ook te worden erkend en behartigd. De driehoek tussen overheid, bedrijfsleven en onderwijs was al bekend onder de naam “triple helix”. Maar dit omvat nog steeds alleen het institutionele belang. Door burgerparticipatie en burgerverantwoordelijkheid eraan toe te voegen ontstaat sustainocratie.

Deze vorm van samenwerking is niet geld gedreven waardoor de geldafhankelijkheden doorbroken worden en plaats maken voor een discussie over duurzame, waarde-gedreven vooruitgang waarin menselijkheid centraal staat. Een sustainocratische nutgedreven tafel begint altijd met nul-budget en ontwikkelt zich naar mate de deelnemers met elkaar samen korte en lange termijn doelen en beoogde resultaten afspreken. Sustainocratie is een nieuwe tijdse coöperatie waardoor er geen nieuw instituut ontstaat maar men samen gebruik maakt van de gezamelijke middelen die in de regio aanwezig zijn. Op die manier ontstaat een lokale circulaire economie waarin veel zelfvoorzienende initiatieven georganiseerd kunnen worden.

Thema’s die coöperatieve samenwerking kunnen krijgen hebben al een wereldwijd precedent in de regio in de vorm van AiREAS (luchtkwaliteit, volksgezondheid en gebiedsontwikkeling) dat zich vooralsnog vooral beperkt tot Eindhoven in de pioniersfase. Maar belangstelling is reeds getoond vanuit andere gemeenten. AiREAS holt de integriteit van de regionale machtsposities niet uit maar versterkt ze door de gebiedsautoriteit te respecteren en aan te vullen met de technologische en sociale innovatie als ook de wetenschappelijke inzichten die nodig zijn voor vooruitgang. De verbindende sustainocraat heeft geen macht, alleen een kaderbewakende autoriteit. De cooperatie heeft geen eigen gebouwen of personeel maar gebruikt de kracht en macht van de deelnemende partijen. De werkelijk macht ligt bij de institutionele deelnemers die samen faciliterend zijn naar vooruitgang.

Thema’s die nu al onafhankelijk sustainocratische coöperaties zouden kunnen vormen zijn en reeds op de tekentafel zijn gekomen voor toepassing als de tijd rijp is:

* verkeer & vervoer & mobiliteit

* energie en kwaliteit van leven

* voedsel, levend groen en zelfvoorziening

* gezondheid, zorg en sociale cohesie

* veiligheid

* toegepast onderwijs en wetenschap

* enz enz

Aanjager en vormgever van sustainocratische processen is Stichting STIR dat onder de naam Stad van Morgen bekend is in Eindhoven als de mensgerichte Brainport. De stichting zet de basis op totdat de cooperatieve zelfstandig verder kan. Sustainocratie is tevens de meest goedkope vorm om tot structurele, regionale waardecreatie te komen waarbij de waarde uitgedrukt wordt in rechtstreeks overvloeden voor de lokale bevolking die pas ver-economiseerd worden in geld als de overschotten beschikbaar gesteld worden voor verhandeling met handere regios. Zo kan een gebied zich saneren zonder zich aan te tasten in identiteit of machtsverhoudingen.

Het goede voorbeeld kan ook leiden tot kansen naar de rest van de wereld die allemaal met dezelfde bestuurlijke uitdagingen zitten als hier.

Solidariteitsprincipe en gewetensbezwaar

In Nederland geldt het wettelijke solidariteitsprincipe dat wij allen meebetalen aan zaken zoals de gezondheidszorg. Alleen mensen die wegens religieuze overtuiging daar niet aan mee willen doen, omdat zij hun eigen lotsbestemming in handen van een hogere macht leggen, kunnen daar afstand van doen. Zij dragen niet bij aan het zorgsysteem maar zijn toch maatschappelijk solidair door een hoger belastingtarief te betalen. Op zich is er niets mis mee dat er vanuit algemene solidariteit een norm van gelijkwaardigheid is ingesteld. Wat wel mis blijkt is dat die solidariteit alleen via geld aan een wild groeiend zorgsysteem is gekoppeld. Dit systeem is weer structureel onderdeel van een geldafhankelijke consumptiegedreven economie. En deze economievorm blijkt aantoonbaar vervuilend en schadelijk voor de mens en haar natuurlijke omgeving.

Het doet zich dus enerzijds voor dat de zorglasten van deze economie de pan uit rijzen en deze lasten via het solidariteitsprincipe over de rug van de bevolking een exponentiële groei doormaken. Daarentegen zijn er steeds meer mensen die geen religieuze maar ethische bezwaren hebben tegen de manier waarop de consumptie-economie de aarde en de mens kapot dreigt te maken. Het grote overheid systeem is echter ingericht op basis van deze economie en zal zich niet meteen geroepen voelen om het aan te pakken want deze zit te complex in elkaar. De consequenties zijn gigantisch en veroorzaken een groeiende maatschappelijke en economische onstabiliteit waar geen solidariteit maatstaven meer mee te verenigen zijn. Solidariteit mag niet automatisch betekenen dat de overheid een vrijbrief heeft om de lasten te blijven verhogen en die als maatschappelijke verplichting op de leggen zonder ingrijpende alternatieven te aanvaarden. Dat is dan geen solidariteit meer maar systeemdictatuur.

De zelfbewuste kritische bevolking is daarentegen zeer goed in staat om alternatieven te bedenken en te introduceren die wél ethisch verantwoord zijn volgens de inzichten van vandaag. Men wordt echter door het solidariteitsprincipe tegenhouden, op onterechte kosten gejaagd en gedwongen mee te blijven doen waar men morele gewetensbezwaren tegen koestert. De zelfbewuste en participatieve bevolking ziet namelijk in dat de zorgtaak die de overheid op zich heeft genomen (en die de bevolking destijds uit handen heeft gegeven) helemaal niet bij de overheid thuis hoort. Gezondheid is primair een eigen verantwoordelijkheid en zorg iets dat prima lokaal te regelen is met relatief weinig middelen als daaraan een sterke sociale cohesie aan wordt gekoppeld. Kortom men wil weer steeds meer zelf doen, zelf organiseren en zelf verantwoordelijkheid nemen.

Wie moet nu solidair zijn met wie? De zelfredzame burger die de overheidsfinanciën en structuur moet helpen waarborgen met middelen? Of de overheid die zelfredzaamheid dient te faciliteren en aanvullen? Het is een impasse tussen twee wereldbeelden, de een dominant in uitvoering en de andere  ethisch gemotiveerd. Hoe gaan we hier mee om?

De overheid heeft ooit de wet van solidariteit gemaakt maar heeft niet kunnen voorzien dat het betreffende maatschappijmodel zelf ter discussie kon komen te staan. Solidariteit aan de medemens is een maar dat dit via het regerende geldsysteem tevens impliciet de solidariteit betekent met het in verval geraakte maatschappijmodel gaat voor steeds meer mensen te ver. Men wil de extra lasten niet betalen die ontransparant over de schutting worden gegooid terwijl de essentie van ons bestaan als kostenpost wordt verkocht in plaats van een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Het geweten is er om ethische vraagstukken te verantwoorden en duidelijke keuzes te maken. Deze zijn dan niet religieus maar bestaansrechtelijk. Als dan ook blijkt dat vanuit die bezieling men geheel nieuwe zorgstructuren kan bedenken die wel voldoen aan de holistische criteria van ethiek dan kan en mag de overheid haar eigen oude model niet af blijven dwingen.De overheid dient dan solidariteit te tonen voor de integrale vernieuwing van de maatschappij, vanuit de maatschappij zelf, vanuit de bevolking zelf. Men is niet in gebreke door niet mee te willen betalen aan systemen die men verwerpelijk vindt, als men zelfstandig een redelijk alternatief introduceert waar de medemens ook mee bediend wordt, gelijk of misschien zelfs beter dan in het oude systeem.

Maar dan komen we in conflict met de huidige democratische rechtstaat. De centrale overheid heeft de electorale macht om over het regerende zorgsysteem te besluiten en zo ook over de geldelijke solidariteit van de bevolking verlangen. Men heeft via datzelfde principe de mogelijkheid om zelfs nieuwe initiatieven te blokkeren door solidariteit te eisen via de belastingen. De verplichtingen van verzekeringen, belastingen, eigen risicos, enz dwingen de bevolking haast wel tot het nemen van het heft in eigen hand. De overheid dient los te laten aan de solidariteitsnorm uitgedrukt in geld en aanvaarden dat mensen solidair naar elkaar kunnen zijn zonder tussenkomst van de overheid. Dat betekent tevens dat de overheid de inkomsten gaat missen die het nu de bevolking oplegt maar daar staat tegenover dat de lasten van de overheid ook beduidend verlagen omdat ze uit het overheid circuit worden gehaald. Dat gaat natuurlijk ten kosten van de huidige machtsposities en institutionele lobbies vanuit het eigenbelang in verzekeringsmaatschappij en grote zorginstellingen. Maar deze zullen toch omvallen als het grootste deel van Nederland haar huidige zorglasten niet meer kan of wil betalen.

Kortom, solidariteit mag niet beperkend werken middels een gewetenloze en belastende  kostenpost en dwangmaatregel. Het dient een maatschappelijk gedragsontwikkeling te zijn die de vrijheid geniet om vanuit ethiek zich vernieuwend te manifesteren  door het gemeenschappelijk belang te dienen met alternatieven. Daar gewetensbezwaren nu nog beperkt zijn tot religie met een solidariteitsbeginsel vertaalt in geld zijn wij toe aan een grondwettelijke discussie en verandering. Voorafgaand aan rechtsfilosofie en jurisprudentie kunnen experimentele initiatieven toegestaan worden in een overzichtelijke omgeving, gebied om zo als maatstaf te gaan dienen voor de schaalvergroting van maatregelen.

Jean-Paul Close

Als je druk bent met de stukjes overzie je het geheel niet

Als ik mensen en organisaties vraag om mee te doen aan mensgedreven sustainocratische projecten dan wordt ik geconfronteerd met de verwarring rond de gefragmenteerde belangen van elk van hen. Men is zo getraind om vanuit de stukjes van het grote belang te redeneren dat men het geheel niet overziet. En dat is niet zo vreemd want “het geheel” waar ik het over heb is “de mens en haar duurzame vooruitgang”. Mijn gesprekspartners redeneren in termen van economie, geld en kosten, en verbinden dit aan iets concreets, iets tastbaars, zoals een product, een dienst, een consequentie, een ziekte, een verandering, een optimalisatie, een advies….

Mijn gedrevenheid gaat over menselijke belangen zoals gezondheid, veiligheid, vitaliteit, dagelijks eten en drinken, wonen en bewustwording. Het zijn thema’s die één maatschappelijk geheel vormen in een maatschappij met duurzame ambities van stabiliteit en leefbaarheid. Voor mijn economische gesprekspartners is het te abstract, niet tastbaar genoeg. Dat ik vanuit die abstractie van menselijkheid terugwerk naar de huidige werkelijkheid, waarin die menselijkheid ver te zoeken is, blijkt voor die gesprekspartners veelal te ingewikkeld. Men reageert dan dat als ik een product of dienst wil ik het van hen kan kopen. Als ik de mens centraal stel wordt mij een product aangeboden. Zo ben ik omringd door aanbiedingen. Maar ik wil geen producten, ik wil een gezonde maatschappij. Hoe verbind ik het een met het ander?

Organisaties concurreren om producten aan mij te verkopen terwijl ik hen vraag om samen met mij een gezonde maatschappij te maken. Men vraagt mij dan of ik budget heb, hoeveel producten ik van hen nodig heb en wanneer? Wordt de maatschappij gezond als ik die producten koop? Of toepas? Ik denk het niet. Daar is meer voor nodig. Dus waarom zou ik ze kopen? Als we die producten of diensten bedenken en samen toepassen om een gezonde maatschappij te creëren, lukt het dan? Ik weet het niet maar het is het proberen waard. Dan stoppen we de creativiteit niet in concurrentie ten behoeve van geld verdienen maar gebruiken we het in waardecreatie ten behoeve van onszelf. Dat is lastig voor degenen die geld als doel hebben gesteld, minder lastig voor degenen die zich willen onderscheiden vanuit een concrete toegevoegde waarde.

Als men met mij samenwerkt vanuit dat onderscheidende vermogen dan hoeft niemand meer te concurreren want het gaat niet meer om het product maar om de resultaatgedrevenheid van de samenwerking. De ondernemer verbindt zich niet met mij door iets te verkopen maar met het eindresultaat waaraan waarde kan worden verbonden door iets bij te dragen. Het resultaat wordt uitgedrukt in gezondheid of veiligheid, twee basis zekerheden van duurzame menselijke samenlevingsvormen. Dat is de moeite waard om voor samen te werken.

“Maar wie betaalt ervoor?” Dat is altijd een grappige vraag want uiteindelijk wie heeft ervoor gezorgd dat de huidige maatschappij ongezond zou zijn? In onze consumptie gedreven structuur hebben we daar allemaal onze stinkende best voor gedaan én voor betaald. Als we dan weer een gezonde maatschappij willen hebben zullen we er allemaal voor moeten investeren, niet “iemand die de opdracht geeft”. We geven de opdracht aan onszelf. Dat wil niet zeggen dat er geen wederkerigheid is in de aanpak maar deze komt niet vooraf. We gaan samen bepalen welke prioriteiten we stellen, wat we daarbij nodig hebben en hoe het gaan aanpakken. Dan pas is ook duidelijk wat voor kapitaal er nodig is, dat zich niet alleen uitdrukt in geld maar ook in de hoeveelheid visie, kennis, menskracht, creativiteit, ruimte, overtuigingskracht, enz. En dan weten we ook wat we terug hopen te verwachten (resultaat) zodat we met elkaar meetbaar vooruitgaan.

Bovenstaande proces welkt vanuit het geheel naar de stukjes. Elk stukje is een onderdeel van de grote interactieve legpuzzel. Alleen de stukjes die zichzelf aanpassen aan de puzzel, dus kennis durven nemen van het geheel kunnen schakelen met hun omgeving om zich in te passen in het totaalbeeld. De stukjes die te druk met zichzelf zijn zullen nooit passend gemaakt kunnen worden en ploeteren voort als concurrerende eenlingen. Ik nodig de ondernemers uit om  zich verankeren in een groter geheel. Dat brengt wel enorme verantwoordelijkheid met zich mee. Met het creëren van een enkel product volstaat men niet want er wordt niet verbonden met het product maar met de creatieve ondernemer die steeds weer met nieuwe toegevoegde waarde komt.

Het blijkt enorm moeilijk om economische partijen te overtuigen om hun individualisme los te laten en deel te nemen aan de onvoorspelbaarheid van een lokale resultaatgedreven coalitie. Het vergt namelijk zelfvertrouwen in het eigen ondernemerschap zelf. Men verkoopt in feite zichzelf op basis van authenticiteit  daadkracht, betrouwbaarheid, betrokkenheid en initiatiefname. Men neemt verantwoordelijkheid in het geheel waardoor men verbintenissen smeedt die veel verder gaan en blijvend tot stand komen dan het leveren van een enkel product tegen een factuur.

Die eigenheid hebben veel ondernemende mensen niet. Men legt alle verwachtingen in het product dat in een concurrentiestrijd alleen maar waarde verliest. Men is bang de eigenheid te verliezen dat men identificeert via het product, geen controle meer te hebben over zichzelf door van het product af te stappen en zich te verbinden aan een waardengerelateerd eindresultaat. Maar het tegendeel is waar. Talent is bijna niet te evenaren als het zich authentiek manifesteert in de groep. Talent wordt gevormd door de eigenheid van de persoon of organisatie in kwestie.  Het product is maar een eenmalig onderdeel van de relatie (korte termijn). Talent verbindt zich aan de maatschappelijke, ethische, milieutechnische en omgevingswaarden die de mens constant beïnvloeden (lange termijn).

Kortom, als je druk bent met de stukjes dan overzie je het geheel niet. Dan ben je bezig met het overleven en niet met het leven zelf. Dat geldt voor ondernemers maar ook voor wetenschapper, scholen, overheden enz. Dat maakt ons eerste sustainocratische proces in Eindhoven, AiREAS genaamd, zo uniek. Want het verzamelt juist al deze partijen op basis van het geheel. Door de lange termijn van ons eigen welzijn en welbevinden te definiëren via gezondheid en omgevingskwaliteit bepalen wij ook onze korte termijn interactie. We draaien de wereld om en zien dan ook bij elke bijeenkomst dat er rust komt, een drang tot presteren vanuit eigenheid, zelfvertrouwen en betrouwbaarheid in de groep ten behoeve van het grote het grote geheel, volledig vertrouwend dat vanuit het geheel men ook op de juiste manier gecompenseerd wordt. Niet vooraf maar naar mate de waarde die we creëren zichtbaar wordt. De mensen die er aan mee doen onderscheiden zich al door zich niet als stukje te zien maar als mens, die door het geheel te dienen zichzelf dient. Zij samen hebben de wereld al veranderd.

Nu de rest nog.

Lokale belastingen voor lokale projecten

De gemeente is van de dag voor 90% van haar financiering afhankelijk van de centrale overheid. De centrale overheid int ook het gros van de belastingen. Daar moet verandering in komen. Het is van belang dat er lokaal waarde wordt gecreëerd in de regio’s. Dat kan alleen als er ook een wederkerig belang ontstaat tussen de betaling van belastingen en het terugvloeien ervan in maatschappelijke vooruitgang. Door de belastingen via Den Haag te sluizen is er geen enkele betrokkenheid tussen waar de middelen vandaan komen en waar ze naar toe vloeien. De bestuurlijke en menselijke werkelijkheid ligt erg ver uit elkaar.

In Eindhoven zijn wij bezig met de eerste Sustainocratische processen in de wereld. Dat wil zeggen dat wij lokaal zowel persoonlijk (burgerinzet en betrokkenheid) als institutioneel (overheid, bedrijfsleven en scholengemeenschap) verantwoordelijkheid nemen voor onze lokale duurzame vooruitgang. Door dit vorm te geven ontstaan er lokale initiatieven die algemeen erkende duurzaamheid criteria ter harte nemen omdat deze aantoonbaar bijdragen aan de leefbaarheid van de lokale bevolking. Zo denken wij aan initiatieven in de kringloop-economie, een economie waarin gebruik van producten wordt gestimuleerd in plaats van het aanschaffen ervan. Systemen op basis van gebruik verlangen een sterke lokale verbintenis tussen gemeentelijke beleidmakers en bevolkingsgroepen in wijken. De interactie komt dan al snel tot uitvoerende projecten die gefinancierd moeten worden uit gemeenschappelijke middelen. Dan is de lokale bereidheid logisch om in de waardeprocessen ook rekening te houden met afdracht van belastingen voor het vervolg ervan. Dat is een lokaal circuit:

Image

Dit is een regionaliseringsproces dat natuurlijk de verhoudingen met Den Haag op scherp zet. De economie kan echter alleen een impuls krijgen als structureel de maatschappij verandert met de inzet van alle betrokkenen. Dan moet die verandering ook zo dicht mogelijk bij de medemens worden toegestaan en gefaciliteerd. Het living lab van Eindhoven is daar een goede basis voor en kan vooralsnog een uitzonderingspositie krijgen om de gevolgen meetbaar en inzichtelijk te maken voor iedereen. De komende maanden zal dit meerdere malen op tafel gebracht worden in de groepsprocessen die zich ontwikkelen. In deze tijden van financiële moeilijkheden zal het een proces van geven en nemen zijn dat we met zijn allen vormgeven.

Boek aankondiging: Sustainocratie, de nieuwe democratie

Vandaag mocht ik de eerste proefdruk ontvangen van mijn nieuwe boek over de complexe maatschappelijke veranderingen waar wij voor staan en die ik middels “sustainocratie” tot een vernieuwende doorbraak tracht te brengen voor de mens en mensheid. Dat klinkt nogal hoogdravend want wie ben ik per slot van rekening om zoiets voor te stellen, laat staan vorm te geven?

Boven alles ben ik “een mens”, een zelfbewust wezen dat het resultaat is van miljoenen jaren evolutie en zelf aan het begin staat van het vervolg van deze menselijkheid door mijn eigen vaderschap. Ik ben mij bewust van mijn omgeving zoals deze door de natuur en de mens zelf wordt vormgegeven. Binnen dat laatste kan ik mij neerleggen wat anderen voor de mens beslissen of daar zelf een beeld bij vormen en verantwoordelijkheid nemen voor mijn keuzes. Dit boek, en alle handelingen van mij die eraan zijn voorafgegaan en nog zullen komen, zijn onderdeel van mijn bewustwording, de inzichten die ik gaandeweg heb ontwikkeld over menselijke organisaties en mijn eigen manier om verantwoordelijkheid te nemen voor de conclusies waartoe ik ben gekomen. Zoals Prof. Paul de Blot zo mooi aangeeft in zijn voorwoord in het boek “Dit boek gaat over menselijkheid in menselijke organisaties”.

Sustainocratie, de nieuwe democratie

Het boek gaat dan ook over de manier waarop wij invulling geven aan onze vrijheid (democratie) en de duurzame menselijke ontwikkeling (sustainability) door middel van onze keuzes, institutionele organisaties, ondernemerschap en on onderlinge samenwerking. Het boek stelt veel van onze huidige maatschappelijke complexiteit ter discussie, niet omdat het zo verkeerd is maar omdat we toe zijn aan een intense verandering. We lopen de kans dat, als we teveel vasthouden aan oplossingen uit het verleden, we onszelf in de grootst mogelijke moeilijkheden brengen voor de toekomst. In het boekje geef ik een beeld van de moeilijkheden waar we mee kampen als maatschappij, de oude machtsstructuren die het maar moeilijk vinden om los te laten, en de enorme daadkracht van de vele visionaire mensen die de transformatie aandurven die zich voor ons aftekent. En daarin zit de missie die ik mij eigen heb gemaakt, namelijk de tijd nemen om te experimenteren met inzichten om zo tot een concrete, praktische oplossing te komen die niet alleen idealistisch is  maar ook een realistisch draagvlak vormt voor zowel de individuele mens als de institutionele autoriteiten. Ondertussen wordt Sustainocratie reeds toegepast in AiREAS, The STIR Academy, EQoL, enz. Het bestaat dus waardoor het boekje een extra draagvlak krijgt.

Ondanks deze ogenschijnlijke “gouden greep” om veel menselijk leed te voorkomen en duurzame menselijke vooruitgang samen waar te maken, is Sustainocratie “een wereld op zijn kop” voor iedereen die eraan begint. Het is vooral een gigantische uitdaging waarin we allemaal een hoofdrol spelen, ongeacht leeftijd, oorsprong of functie.

Uitgever: MultiLibris – www.multilibris.nl

ISBN: 978 94 6000 0157

Auteur: Jean-Paul Close met voorwoord: Prof. Paul de Blot

Winkelprijs: onder de 20€

Belasting is het probleem

De menselijke wereld zit verwikkeld in een gigantisch complex probleem. Dit probleem wordt vooral complex gemaakt door de manier waarop wij onze maatschappij hebben opgebouwd. Als wij in de toekomst enig welzijn willen blijven genieten zullen wij die organizatie volledig om moeten gooien. Daar staan een aantal zaken voor in de weg. Een van de belangrijkste zijn: de belastingen.

Nu wordt door de bevolking de belastingdruk vooral als last ervaren maar deze inkomsten houden wel de dominante overheid gaande die met dat geld een zorgmaatschappij draaiende houdt. De bevolking is ook erg gewend geraakt aan de zekerheden die de overheid met het belastinggeld biedt. Maar waar komt al dat geld vandaan?

Eigenlijk is alles wat wij met geld doen in de maatschappij direct of indirect belast. Zo is er op alles BTW. Dat is sinds enige tijd de grootste bron van inkomsten van de overheid. Deze bron is rechtstreeks gerelateerd aan de hoeveelheid consumptie in onze gemeenschap. Het is dan ook helemaal niet vreemd dat de overheid zich druk maakt over de “koopkracht” van ons allemaal. Kopen levert nu eenmaal veel middelen op.

Maar om ons in gelegenheid te stellen zoveel mogelijk koopprikkels te ontwikkelen is een goede infrastructuur nog voor de bevoorrading van de vele winkels die wij aan kunnen doen. Dat kost natuurlijk geld maar levert ook werkgelegenheid. Werkgelegenheid is ook belastbaar natuurlijk. Zo kennen wij de inkomstenbelasting en inhoudingen voor verschillende verzekeringen (pensioen, zorg). Ook hier is het logisch dat de overheid het belangrijk vindt dat mensen werken, betaald werken dus, want vrijwilligerswerk is misschien nuttig maar draagt niet meteen bij aan de staatskas en potjes voor sociale zekerheden. Dit is ook een hele grote inkomstenbron voor de overheid. Consumeren, verkopen en infrastructuur zijn dus belangrijk.

Dan is er ook nog de manier waarop wij werken, distribueren en inkopen. Auto’s, brandstof, parkeren, gebruik van de wegen, zijn allemaal belastbaar met accijns en directe belastingen. Alle bedrijven die daaraan meewerken dragen ook nog eens belasting af over de winst die men maakt.

Zo zien we dat de manier waarop onze maatschappij is opgebouwd ook structureel belast wordt. We zijn dus erg afhankelijk geworden van geld in de cultuur die is gecreerd in een consumptiegedreven organisatie. Het geldsysteem heeft veel voordelen opgeleverd. Zo leven we veel langer, voelen ons zekerder door alle potjes die ons omringen, hebben veel medische kennis opgebouwd, er is al lang geen oorlog meer, enz. Langer leven kost echter ook geld net als die gezondheidzorg en welzijn van ouderen.

Nu blijkt die organisatie ook te hebben geleid tot nogal wat problemen op gebied van vervuiling, klimaatveranderingen, volksmentaliteit en gezondheid. De druk om de omgeving op te schonen en aan nieuwe normen te gaan voldoen wordt groter. Boetes worden aangekondigd als men niet voldoet. De investeringen om er iets aan te doen zijn gigantisch en ondertussen blijkt ook dat ondanks alles de effecten niet echt optimaal zijn. Nederland speelt een hoofdrol in de wereld van distributie in Europa. Een belangrijk deel van de economie ontwikkelt zich om deze taak maar de consequenties zorgen ook voor veel problemen.

De som van alle maatschappelijke kosten groeit en daarbij de behoefte van de overheid om belastingen te innen om die kosten te dekken.

Ondertussen zijn er steeds meer signalen dat de maatschappelijke basis van een consumptiegedreven economie niet meer houdbaar zijn. De vele crisissen die we ervaren zijn te herleiden naar de misstanden en kraken die zijn ontstaan in het systeem. Met veel moeite probeert de overheid die barsten op te lossen met maatregelen en extra kapitaalinjecties. Toch zien we dat die maatregelen niet leiden tot rust maar meer lijken op uitstel van executie.

Transformatie
Als deze maatschappij dan op springen staat hoe lossen we dit op? Om te beginnen kunnen we de maatschappij niet veranderen door hetzelfde te blijven doen als voorheen. Het moet dus enorm anders. De consumptiestructuur moet doorbroken worden. Dat kann alleen maar door de bevolking zover te krijgen anders met zichzelf om te gaan. Maar dat kan niet zomaar. Als de centrale overheid en het bedrijfsleven iedereen blijven bestoken met koopprikkels uit economisch belang dan zal de intrinsieke motivatie ver te zoeken zijn. Belasting en winst blijven fundamentele drijfveren.

Als het gebied een nieuw hoger doel gaat hanteren, bijvoorbeeld van een consumptie naar een circulaire maatschappij waarin goederen niet van eigendom veranderen maar gebruikt en hergebruikt worden, dan verandert ook de onderliggende structuur van de gehele gemeenschap. Die transformatie kost ook veel geld en wordt niet opgebracht door de economie. Want deze wordt door het lokale circuit juist teruggebracht tot een essentie wegens de inzet van de lokale bevolking. Gebruiken is nu eenmaal anders dan hebben. De logica van de transformatie is erg groot maar omdat de nieuwe maatschappijvorm niet belastbaar is volgens de oude normen zet de centrale overheid de hakken in het zand. De gemeenschap wil zelfvoorzienend worden maar dat dient het landsbelang van geldgedreven belastingcultuur niet. Zelfvoorziening dekt misschien de lading van consumptie maar niet die van de zorglasten noch de herstructurering van de infrastructuur.

Deze paradox van noodzakelijke vernieuwing en de eigen overheid die GEEN verantwoordelijkheid neemt door tegenstrijdige belangen is vaak reden geweest voor burger opstand en zelf oorlog.

Zelfs als de overheid verantwoordelijkheid zou nemen dan is er nog het belang van de distributiebedrijven van consumptiegoederen die zouden claimen dan hun positie zou verzwakken en werkgelegenheid zou gaan kosten.

Waar een centrale overheid in een democratie in het zadel is geholpen door stemmen om stabiliteit te bevorderen en te bereiken kann de overheid eigen alleen maar nuttig zijn door zelf chaos te creeren waaruit vernieuwing kann ontstaan. Maar dat laat de bureaucratie niet toe. Kortom, de belastingen zijn een probleem en staan de vernieuwing in de weg. Ze veroorzaken dus ook de opbouwende druk in de maatschappij die uiteindelijk kan leiden tot een grote oproer. Ondanks de oproer, die vooral vraagt om terugkeer van zekerheden, zal uiteindelijk de overheid het beste eraan doen om de oproer te gebruiken om ruimte te scheppen voor echte verandering. Loslaten dus van verantwoordelijkheden en de belastingen waardoor er ruimte ontstaat voor vernieuwing vanuit de bevolking zelf. Door niet als overheid maar als bevolking verantwoordelijkheid te nemen verandert de context ook van geldafhankelijkheid naar persoonlijke inzet.

Consequentie is echter dat de politieke zuilen een einde bereiken omdat men niet meer voldoet aan de overheid opdracht. De belasting zijn dus het probleem. Een zelfbewuste overheid doekt zichzelf dus op door chaos te aanvaarden, belasting te verlagen en samen met de bevolking de vernieuwing aan te gaan. Sustainocratie biedt die mogelijkheid. Welke overheid durft het aan om los te laten en dit proces op deze manier aan te pakken?

Huidig onderwijs leert niets

De leerprestaties van jongeren zijn onder de maat vindt de inspectie en het ministerie van onderwijs van Nederland. Men plaatst de verantwoordelijkheid van het leren bij de jongeren via een leerplicht maar vergeet daarbij dat leren zich uitsluitend voltrekt vanuit een maatschappelijk context. Als er geen hoger maatschappelijk doel wordt gesteld dan zal er door niemand, jongeren noch ouderen, een leerdoel worden bereikt. Waarom leren? Wat is het nut? Welke innerlijke motivatie spreekt men aan om te leren? Jongeren hebben sinds 1900 in Nederland een leerplicht maar Nederland heeft vooral een onderwijs plicht. In de huidige scholen vormt “onderwijs” een doel op zich aangestuurd door het beleid uit Den Haag waarbij de scholen beperkte vrijheden hebben om zich te ontwikkelen volgens een eventueel eigen maatschappij beeld. Men is afhankelijk van de middelen die per leerling worden toegekend en dient via diploma uitreiking aan een normering te voldoen. Welk verband er ligt tussen maatschappij en normering is veelal ver te zoeken en de leerling is een middel om de school in stand te houden.

In dit huidige onderwijs leert men niets.

Om “het leren” te begrijpen grijp ik even naar een vergelijking die we ook gebruiken voor het bedrijfsleven en de maatschappij zelf, namelijk die van de individuele vrijheid en sturing.

Onderwijs is geen doel op zich maar functioneel binnen een maatschappelijke context

In onze democratie gaan wij uit van grote individuele vrijheid. Maar we gaan er ook van uit dat wij een maatschappij draaiende houden waarin een hoge graad van gemeenschappelijk welzijn wordt genoten. Dat betekent dus ook dat onze vrijheid niet vrijblijvend is maar bij zou moeten dragen aan de inhoudelijk invulling van de maatschappij. Wat die kaders zijn dient maatschappelijk duidelijk te zijn. Dat is het niet. In een geldgedreven consumptie maatschappij is geld en consumeren misschien een maatschappelijk kader waar omheen een economie draait maar opvoedkundig verwachten wij natuurlijk veel meer van een maatschappij. Denk daarbij aan ethiek, sociale cohesie en duurzame vooruitgang. Deze essentiële parameters zijn niet meer aanwezig en als zodanig ook niet te vinden in een onderwijscultuur.

Bij het ontbreken van een hoger maatschappelijk kader dat de hebzucht van een geldgedreven maatschappij overstijgt met ethische normen (zoals sustainocratie de democratie nuanceert met duurzame menselijke vooruitgang) vervalt het onderwijs tot een gefragmenteerde, doelloze overdracht van kennis. Als de leerprestaties van de jongeren dan onder de maat zijn dan duidt dat niet op de jongeren maar op de leeromgeving. De scholen, ouders en de overheid dienen dan vooral bij zichzelf te raden te gaan.

De jeugd is perfect in staat gebleken om van alles te leren binnen de mogelijkheden van hun open vrijheden en vanuit een intrinsieke, ongestuurde motivatie. Denk daarbij aan social media, elektronica en de vele prikkels die een consumptie gerichte maatschappij hen opdringt. Die prikkels raken het eigenbelang zoals Mitra zo mooi vertelt in zijn  toespraak over “The hole the wall”, een experiment in India waarin ongeletterde straatkinderen geconfronteerd werden met een gat in de muur en een computer. De natuurlijke nieuwsgierigheid, de open onderlinge communicatie en concurrentie, samen met de vele dingen die ze met het apparaat konden ontdekken leidde tot verrassende resultaten. Binnen 6 maanden beheersten honderden jongeren vele Engelstalige computerwoorden, wisten ze hoe het apparaat en de software werkte en konden ze aangeven welke verbeteringen erop toegepast konden worden. De onderlinge stimulans zorgde voor een zelflerend proces dat zijn weerga niet kent in de moderne onderwijswereld.

Onze huidige maatschappij is voor de meeste jongeren een gat in de muur waarmee men experimenteert zonder toezicht noch concreet doel. De stimulans die zij krijgen horen bij de normale opgroeiende, zoekende jeugd die is omringd door een cultuur van koopkracht (hebben). Binnen die cultuur spelen ouders de rol van financier en de overheid die van lastpost. Het zwarte gat van de maatschappij waarin de jongeren met hun ongenuanceerde vrijheden experimenteren en elkaar uitdagen tot uitersten vormt een schril contrast met het huidige onderwijs. Dit probeert normen en waarden op te leggen vanuit “verplichtingen” om zodoende enig overwicht te behouden op deze jeugd. Via de leerplicht worden de jongeren geacht om op een bepaalde tijd op school te zijn en na een aantal uren weer weg te gaan. Op de vraag waarom ze naar school gaan wordt geantwoord “omdat het moet”.

Het huidige onderwijs is vooral gefocust op het overdragen van rationele, cognitieve vaardigheden, zoals rekenen, taal en andere tastbaarheden. Naar mate de jongeren ouder worden wordt in het onderwijs van ze verwacht dat ze een vak leren. Wat de overheid vergeet is dat rationaliseren van informatie pas pakkend beklijft in de bewustwording van de jongeren als zij het verwerken middels emotionele en lichamelijke ervaringen. De hele dag in een schoolbank zitten is geen stimulans. Het uit het hoofd leren en automatiseren van de tafeltjes of het leren van de provincies en hoofdsteden van Nederland heeft pas blijvend invloed als het zich verbindt aan de belevingswereld van de jeugd.

Als de jeugd zich niet binnen een grotere maatschappelijke context weet te plaatsen richt zij haar eigen ontwikkeling op de vergelijking met leeftijdgenoten en niet die van een persoonlijke, volwassen toekomst en verantwoordelijkheid. Daarvoor is een referentiekader nodig met de volwassen werkelijkheid.  Onderwijzen gaat niet over het pure cognitieve leerproces maar de bewustwording van zichzelf in een maatschappelijke context. Dat vergt iets anders van het onderwijs dan het afvinken van aanwezigheid lijstjes en het plaatsen van gedragskruisjes bij elke afwijking van de algemene norm. Elk kind is anders, heeft een geheel eigen belevingswereld die positief kan worden beïnvloed door het kind te betrekken bij een hoger doel. Maar dan moet dat hoger doel wél bestaan.

Een kind, een puber of een jong volwassene kan uitstekend zelfstandig leren, uitgedaagd worden, allerlei informatiebronnen verwerken en uiteindelijk uiten in zeer diverse vormen van wijsheden die ontstaan. Alles bepalend is uiteindelijk de cultureel, maatschappelijke omgeving waarin het leerproces wordt gestimuleerd. Als de prikkels gaan over de laatste mode, meer geld hebben dan de ander, al dan niet verantwoordelijkheid nemen, angst of durven, wat heb ik en hoe zie ik er uit, dan zullen de jongeren die prikkels gebruiken in hun reactieproces. Reflectie gebeurd bij jongeren nog sterk op basis van het “eerst doen, daarna leren”, al experimenterend met het leven in de onbevangenheid van de beveiligde creativiteit. Onbevangen omdat zij zelf kunnen experimenteren en beveiligd omdat zij nog worden omringd door ouders en school die verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke inhoud en veiligheid in de ontwikkeling van de onschuld. Reflectie is essentieel maar dient plaats vinden binnen aanvaardbaar nut en kaders die de jongeren kunnen begrijpen.

Het huidige systeem van verplichten, straffen, examineren, normeren en reguleren toont uitsluitend de machteloze beperking van het onderwijssysteem als eenzijdig instrument dat haar verbinding is kwijtgeraakt met het grotere geheel. Natuurlijk passen de jongeren daar niet in omdat zij zelf een holistisch menselijk bestaan en ontwikkeling leiden die niet te minimaliseren valt.

Door onderwijs te ommuren en af te zonderen van de maatschappelijke context mist men de voorbeeldfunctie die de jongeren nodig hebben om  te reflecteren over de theoretische werkelijkheid die hen wordt verkocht als gedragsnorm. Vertrouwen, gelijkwaardigheid, respect, veiligheid, gezondheid, kennis zijn thema’s die genoemd worden in de boeken maar in de omgeving structureel worden verkwanseld. Het gezinsleven bestaat amper, jongeren groeien op van opvang tot opvang, binnen gescheiden ouder situaties, los van familiaire relaties en veelal met allerlei gedragsstempeltjes vanuit de overheid. De norm is utopisch beperkend en de afwijking wordt de norm. Het zijn niet de jongeren die niet voldoen maar hun verplichte leeromgeving waarin ze verplicht worden te doen waar ze geen enkel nut in zien.

Een hoger doel heeft te maken met gezondheid, welzijn, sociale cohesie, onderlinge relatie, zelfkennis en de kennis van de ander, veiligheid, samenwerking, visie, verantwoordelijkheid nemen, een maatschappelijke richting (duurzame menselijke vooruitgang) en alle daaraan gerelateerde kennisbehoeften. Er dient een verbintenis te zijn tussen de unieke persoon en de omgeving die zich samen ontwikkelen volgens een bepaalde natuurlijke, dynamische, evolutionaire code waar de jeugd haar eigenheid op creatieve manier in kwijt kan om de eigen toegevoegde waarde te ontdekken. In een jagersstam zien de jongeren de ouderen op jacht gaan en kijken er naar uit om een keer mee te mogen. Bij een timmerman zal de zoon of dochter geneigd zijn de hamer een keer te pakken en iets te knutselen. Maar als de ouders ’s morgens van huis gaan en ’s avonds thuis komen is er amper interactie en geen enkel volwassen voorbeeld. Ook in de wijken zijn er geen functionele prikkels die de jongeren aanzetten tot het nemen van verantwoordelijkheden.

Kortom, in een maatschappij zonder hoger doel zijn er geen emotionele prikkels die leiden tot een intrinsieke motivatie van de jongeren om iets te leren. Als de school daar ook nog eens negatieve prikkels tegenover zet door een bureaucratische, gefragmenteerde werkwijze, zonder verband tussen reflectieve cognitie en jeugdige emoties met een welhaast militaristische afrekening van aanwezigheid en gedrag, dan ontstaat er een generatie die meer leert op straat dan op school. En dat mag niet de bedoeling zijn.

We zijn toe aan een sustainocratische transformatie van het onderwijs door het weer een structurele, functioneel inhoudelijke pilaar van de maken van duurzame menselijke vooruitgang. Onderwijs is geen gefragmenteerd doel op zich maar stelt de mens centraal in haar duurzame ontwikkeling.

Het onderwijs is dienstbaar aan de menselijke vooruitgang