Welzijn is geen kostenpost

Toen ik naar Nederland terugverhuisde in 2001 kreeg ik de cultuurschok van mijn leven. Wat was er gebeurd met het land dat ik in 1974 formeel achter mij had gelaten en waar ik weer naar terugkeerde na 27 jaar “om mijn kinderen óók de cultuur van papa mee te geven”? Dit was niet de cultuur waarnaar ik terug was gekeerd en het was helemaal niet de cultuur die ik over wilde dragen aan mijn kinderen.

Ik was mij in een klap bewust geworden dat maatschappijen niet altijd hetzelfde blijven, dat zij veranderen, soms ten goede, soms helemaal de verkeerde kant op. Dat laatste was voor mijn gevoel met Nederland gebeurd. Maar wat was er dan zo anders tussen het Nederland van de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw en dat van nu? De essentie in het antwoord ligt in de vraag “hoe gaan wij om met menselijk welzijn?”.

In de naoorlogse jaren bouwden wij samen aan een nieuwe maatschappij. Maatschappelijk welzijn werd een van de belangrijke voorwaarden voor het voorkomen van oorlogen zoals de eerste en tweede wereldoorlog. De koude oorlog die erop volgde tussen grootmachten Amerika en Rusland kwam nooit tot een werkelijk handgemeen, ook al heeft het regelmatig op het randje gestaan, omdat de angst van de huidige vernietigingskracht sinds de tweede wereldoorlog er nog stevig in zat.

Ondertussen ontwikkelde Europa een beleid dat gericht was op welzijn. Want mensen in een welzijn situatie gaan niet snel een oorlog met elkaar aan. Daar is dan de basis niet voor uit de angst om welzijn te verliezen. Welzijn betekent dan dat de hele bevolking basiszekerheden geniet waardoor misstanden geen voedingsbodem worden voor sociale onrust en negatieve machtontwikkeling. Maar voor welzijn moet wel hard worden gewerkt. In die jaren 60 en 70 was samenwerking en opbouw een gemeen goed dat vanuit de naoorlogse energie nog algemeen voelbaar was. Toch was de wederopbouw van het land grotendeels klaar en de eerste belangrijke dippen in de maatschappelijke structuur werden voelbaar. Er werden maatregelen getroffen in de vorm van arbeidsduurverkorting e.d. om vooral de spreiding van de overgebleven arbeid te reguleren. Zekerheden waren ondergebracht in voorzieningen die kostbaar waren maar die moesten wel opgebracht worden door een werkende bevolking. Nederland groeide langzaam naar een risicomijdend landje dat vooral haar structuur moest beheersen door een evenwicht te houden tussen arbeid en zekerheden. Er moesten nieuwe wegen gevonden worden om voldoende economisch draagvlak te creeren voor het behoud van die stabiliteit. In Amerika liep men al enige jaren voorop met marketing en een consumptiegedreven maatschappij. In de jaren 70 omarmden de Europese landen stapje voor stapje ook dit maatschappijbeeld van belastbaar eigenbelang. Overvloed van goederenconsumptie werd ook als welzijn gezien en een mooie kans om een economie te creeren die daarop gebaseerd was.

De transformatie werd in gang gezet van een maatschappij die inhoudelijk gericht was op bouwen aan welzijn naar een maatschappij die functioneert rond het consumeren van welzijn. Toen ik dus bijna 30 jaar later terugkeerde naar Nederland was welzijn geen verantwoordelijkheid meer maar een kostenpost. Dat heeft ingrijpende gevolgen gehad voor de landscultuur en structuur. De algemeen maatschappelijke beleving van welzijn was veranderd van een innerlijke zekerheid naar uiterlijk vertoon. In plaats van er zelf hard voor te werken via inzet werd welzijn gezien als recht waarbij het begrip van innerlijke waarden was verworden tot externe waarden.

Toen ik dus in Nederland kwam was die nieuwe materialistische beleving in de cultuur als een koude douche omdat juist die warme opbouwcultuur van Nederland nog in mijn geheugen gegrift stond. De bijkomende problematiek van een cultuur waarin welzijn als consumptief fenomeen wordt gezien is dat de zekerheden opgebouwd worden uit belastingen op consumptie en via verzekeringen terwijl de bevolking alle mogelijke verantwoordelijkheden uitbesteed aan de buitenwereld. De kwaliteit van welzijn is niet meer wat men er zelf maar wat de omgeving ervan maakt. Welzijn is ondergeschikt gemaakt aan institutionele belangen die allen vanuit geld aangestuurd worden. Gezondheidzorg, ouderenzorg, kinderopvang, buitenschoolse activiteiten, politie, kinderbescherming, thuiszorg, enz, zijn allemaal kostenposten.

De overheid dient haar zorgtaak dan vanuit geldgedreven maatsregelen en ontwikkelt een structuur waarin geld en niet de mens de hoofdrol speelt. Zolang de mens maar blijft consumeren zou alles goed moeten gaan want dan spekt de koopkracht de kostbare schatkist. Dat zo’n consumerende mens uiteindelijk kraagzuchtig, gemakzuchtig, hebzuchtig en wat al meer “zuchtig” wordt merkt dan vooral iemand die uit het buitenland terug verhuisd en ermee wordt geconfronteerd. Daarbij kwam dat ik ook in Spanje in een opbouwland had gewoond nadat de dictator Franco in 1975 was overleden. Ik had dus alleen warmte van verantwoordelijkheid meegemaakt en niet de koude van het consumerende eigenbelang.

Mijn Braziliaanse echtgenote kreeg in de verhuiswagen, onderweg naar Nederland, in Parijs een paniekaanval en wilde het liefste rechtsomkeer maken, terug naar Spanje. Dat was onmogelijk omdat we in Spanje onze zaken hadden afgesloten en op weg waren naar een nieuwe toekomst. De koudheid van Nederland was haar spiritueel al tegemoet gereisd maar die gevoeligheid had ik toen nog niet ontwikkeld. In Nederland kregen wij zoveel problemen te verwerken dat uiteindelijk het huwelijk op de klippen liep en ik moest onderduiken met mijn kinderen wegens de aggressie van mijn wederhelft. Haar aggressie was niets vergeleken met de aggressie van de maatschappelijke structuur die geen verantwoordelijkheid wilde nemen om mij te helpen maar vooral van mij verlangde dat ik in het geldsysteem bleef meedraaien. Veiligheid van mijn kinderen was ook een uitbesteedbare kostenpost geworden en ikzelf een instrument om geld te verdienen om vooral veel welzijn te consumeren, zoals het uitbesteden van mijn kinderen. Dat zag ik echter niet als welzijn. De angst voor aggressie en ontvoeringsgevaar kon ik alleen beheersbaar maken door zelf welzijn te creeren.

Welzijn is geen consequentie van geldinvesteringen maar een van eigen verantwoordelijkheid. Dat bewustzijn ontstond bij mij heel direct door een persoonlijke lijdensweg. Mijn natuurlijke omgeving wist niet meer met die verantwoordelijkheid om te gaan en ook niet met het faciliteren ervan in mijn vrijheid om eraan te kunnen voldoen. Ik moest in verzet komen tegen een cultuur die het welzijn van mijn kinderen op een andere manier invulde dan ik, namelijk vanuit het koude van uitbesteding in plaats van de warmte van het gezin. Zo ook de zorg voor de ouderen, minderheden, enz. Het liefst was ik weg gegaan totdat ik inzag dat de rest van de wereld ook dezelfde trekjes begon te vertonen. Weggaan was geen optie, mij inzetten voor een nieuwe cultuur van menselijkheid bleef over. Dat kon ik mijn kinderen beloven.

Voor mij werd duidelijk dat welzijn geen kostenpost mag zijn maar een intrinsieke motivatie om er rechtstreeks verantwoordelijkheid voor te nemen. Onze maatschappij heeft geld geplaatst tussen de mens en haar belangen en daar machtposities aan gerelateerd die alleen het geld dienen maar de afstand vergroten tot de werkelijkheid van menselijke waarden. De mens die zich omringt voelt met het klatergoud van de materiele belangen ziet het probleem niet zo snel behalve dat de kosten schrikbarende proporties aannemen, waar men dan plichtsgetrouw over zal klagen. De maatregelen die de geldgedreven overheid nu denkt te moeten nemen om de geldelijke belangen te incasseren zijn enorm. Maar wat nog veel gevaarlijker is zijn de maatregelen die men denkt te moeten nemen om hen te controleren die aanspraak hebben gemaakt op de zekerheden die ooit gelijkheid moesten scheppen om oorlogen te voorkomen. Deze maatregelen vormen nu de basis van ongelijkheid.

Welzijn is geen kostenpost omdat het dan uiteindelijk alleen ter beschikking komt voor de hoogste bieder en geen enkele zekerheid meer biedt voor degenen die het niet meer kunnen opbrengen. Dan staat de gelijkwaardigheid op het spel waardoor onrust, chaos en opstand op termijn de ruimte krijgen.

Sinds 2001 heb ik het mijn missie gemaakt om de maatschappij weer verantwoordelijkheid te laten dragen door inzet van energie en talent voor ons welzijn door er eerst zelf mee te beginnen. Waar de mens welzijn wil genieten moet de mens zelf voor welzijn zorgen, niet het systeem van uitbestedingen. Dat is sustainocratie, geen kostenpost maar eigen en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.

Nederlandse economie is verrot

Geld heeft geen kleur, geur, noch smaak. Wanneer je geld hebt dan kun je er allemaal leuke dingen mee doen. Vanuit dat algemene perspectief staan we zelden stil bij het concept “geld” behalve dat we er voldoende van willen hebben om aan onze dagelijkse behoeften te kunnen voldoen én een beetje meer. Hoe we met geld om gaan heet “economie” en er zijn goede en slechte versies. En dat heeft helemaal niets met veel of weinig geld, groei of krimpt te maken. Het verwijst naar de cultuur van al of geen waardecreatie.

Waardecreatie 
Een cultuur van waardecreatie heeft niet perse geld nodig want geld zelf heeft geen waarde. Het is hooguit een catalysator om waarde te kunnen creëren. In de oorsprong van het industriële tijdperk werd volop waarde gecreëerd omdat de fabriekjes dingen produceerden die mensen echt konden gebruiken. Stoelen, tafels, kasten, fietsen, enz. Gebruiksartikelen die het dagelijks bestaan gemakkelijker maakten werden gefabriceerd. Geld had een tegenwaarde in goud en vertegenwoordigde een voorraadje arbeid. Iemand ging ambachtelijk werken en kreeg daarvoor in ruil geld. Daarmee kocht men spullen die men zelf gemaakt had tijdens het werk en zo circuleerde het geld weer gewoon terug. Dat noemen we een kringloop-economie, een economie waarin geld een proces mogelijk maakt waarin waarde wordt gecreerd en het geld weer vrijkomt voor hetgebruik in waardecreatie. Als het om een stoel gaat is die waarde “kunnen zitten” of “kunnen uitrusten”” . “Fietsen” of “zich sneller dan lopen van A naar B kunnen verplaatsen” als het om een fiets gaat, of “eten” als het om dagelijkse voeding gaat. Lokaal bedient lokaal door te werken aan het vervaardigen van de behoeften en dit onderling te betalen wegens die behoeften. Geld komt onveranderd uit dit proces en wat er overblijft is een concrete meerwaarde die voorheen niet bestond, of die hernieuwd diende te worden.

Om die meerwaarde te creëren diende men creatief te ondernemen, ambachtelijk te werken en samen initiatieven te nemen.

Geld heeft zelf dus hier geen waarde maar stelt in staat om toegevoegde waarde te creëren. Dat is de goede economie. De deelnemers verdelen de toegevoegde waarde onderling al naar gelang de inzet in het proces en talent om het mogelijk te maken (in sustainocratie noemen we dit “buddinomics” om een onderscheid te kunnen maken met “economics”).

Waarde consumeren
Een andere vorm van economie is die van waardeconsumptie. Dat is een economie waarin geld nodig is om de gebruiksartikelen te mogen kopen en gebruiken, consumeren. Om zo’n economie stabiel te houden dient waardecreatie sterk afgestemd te zijn met waardeconsumptie want anders zouden er overschotten of tekorten ontstaan, ook in geld. Dat zou weer een hapering in het circuleren van het geld veroorzaken met problemen als gevolg. Dat is een moeilijk maatschappelijk proces. Als er bijvoorbeeld teveel stoelen worden gemaakt die dan niet afgenomen worden in de lokale geldgebaseerde kringloop dan is er meer geld in omloop door de gedane arbeid maar dit vloeit niet terug doordat men geen stoelen meer nodig heeft. Het stoelenbedrijf dreigt dan in de problemen te komen. Deze zoekt nieuwe afzetmarkten voor het overschot, om de uitbetaalde arbeid terug te verdienen en weer terug te investeren in een nieuwe cyclus. Men gaat dus op zoek naar nieuwe markten. In de nieuwe markten zit geen kringloop economie omdat de arbeid die gedaan wordt om de stoelen te maken elders wordt gedaan dan waar het verkocht wordt. Geld om de stoelen te kopen vloeit dus weg uit het gebied naar het gebied van de fabriek. Het geld kan dus niet lokaal meer worden hergebruikt in een nieuwe cyclus. En bij de fabriek ontstaat een nieuwe kringloop waar meer geld nodig is voor lokale arbeid voor overproductie. Er is dus overal een onbalans.

Dat gaat misschien even goed zolang er niet teveel andere gelijkwaardige bedrijven op het pad komen. Want dan begint concurrentie dat dwingt tot waardevermindering of het creëren van een onderscheidend vermogen via “het anders zijn en blijven”. De zuigkracht van kapitaal naar de plek van waardecreatie maakt de fabriek afhankelijk van de “markt” waar het niet wederkerig mee omgaat met arbeid. Er ontstaat een onbelans in de kringloop die de kringloop kwetsbaar maakt voor alle betrokken partijen. De “economie” wordt aangetast zowel aan de kant van consumeren als aan de kant van produceren. Als “wereldeconomie” zou dit goed kunnen komen als er een wereldse kringloop zou zijn maar die is er (nog) niet. We praten over een globale consumptie-economie maar niet een globale waarde-creatie economie.

Als er daarentegen tekorten ontstaan in een consumptie economie door te kleinschalige productie en een te grote vraag dan gaan er weer andere krachten werken. De prijs kan dan omhoog gedreven worden of men investeert om meer te kunnen gaan produceren voor de vraag. Er is dus meer geld nodig om te kunnen groeien. Als deze groei is afgestemd op de juiste vraag dan komt dat extra geld gewoon weer terug en is er geen enkel probleem. Wel natuurlijk als over dit extra geld rente betaald moet worden want dat gaat ten kosten van het ingelegde geld. Er vindt waardecreatie plaats maar ook waardeonttrekking (rente) via het geld.

Als geld geen catalysator meer is maar een doel op zich voor partijen via rente of winst op geld, dan kan dat alleen door waarde te onttrekken aan het uiteindelijke waardecreatieproces.

Er is nog een manier om geld te laten groeien en dat is door speculatie. Door kapitaalgoederen (goud, zilver, huizen, autos, ed.) schaars te houden stijgt de waarde van het object in een consumptie-economie. Het geld dat de waarde bepaalt van het object wordt niet meer afgestemd op de arbeid die erin wordt gestopt maar de wens die men heeft om het object te hebben. Zo ontstaat de hebzucht in een consumenten economie. De economie groeit maar de waarde vermindert.

In feite verrot de economie van binnen uit, niet alleen door structurele waardeontrekking uit de omgeving en onze toekomst maar ook door de blinde mentaliteit van “het vermeende recht tot consumeren” zonder wederkerigheid van onszelf.

De verrotte Nederlandse economie
In de Nederlandse economie, net als die van de meeste landen van de wereld tegenwoordig, speelt het bovenstaande op gigantisch niveau. Nederland is afhankelijk van de rest van de wereld voor haar economische stabiliteit door groei die gebaseerd is op twee pilaren: speculatie en consumptie. Op twee fronten wordt dus structureel waarde onttrokken aan de maatschappij. Paradoxaal stijgt de hoeveelheid geld die in omloop wordt gebracht om beide pilaren in stand te houden. Het is allemaal een hypthecaire schuld op de toekomst om ons huidige consumptieniveau op peil te houden omdat de economie daarop is gebaseerd, juist om de consequenties ervan te kunnen financieren. Om effectief te kunnen consumeren moet de infrastructuur worden aangepast voor goederen en personen vervoer. Er moeten winkelcentra beschikbaar zijn die het gemakkelijk maken om te kunnen consumeren en de voorraden van beschikbare materialen moeten overvloedig aanwezig zijn om de consumptie optimaal te laten verlopen. Onze betrokkenheid in de economie is via werkzaamheden aan de infrastructuur en de distributie van de goederen. De enige “toegevoegde waarde” is die van het in stand houden van de etalage voor de consument. De mens is verworden tot een gebruikersmachine die geld verslind om goederen te verslinden. De goederen voor consumptie worden amper meer lokaal gemaakt noch van waarde voorzien maar komen overal vandaan. Vandaar dat geld structureel wegvloeit uit Nederland naar andere gebieden of blijft hangen in het speculatieve distributiesysteem.

Overconsumptie leidt uiteindelijk tot het uitdrogen van de aarde, de vervuiling van ons nest, de opkomst van de vele consumptieziekten (psychische hebzucht klachten, gezondheidproblemen, onderlinge problemen, enz), klimaatverandering, de verloedering van jaloerse onderlinge menselijke relaties, enz. We zien een stijging van criminaliteit, ongezondheid, armoede, vervuiling alom en tegelijkertijd een stijging in inflatie, economische groei en groei in de algemene geldelijke schulden van de individu en de omgeving. De economie is verrot en de maatschappelijke mentaliteit ook. Er wordt geen waarde meer toegevoegd aan de maatschappij door onszelf en wij hebben het structureel onttrokken door onszelf te verzieken op alle fronten.

Het geld is precies hetzelfde, of het nu uit een kringloop economie komt waar het geen waarde heeft maar bijdraagt aan waardecreatie, of in een consumptie-economie waar het bijdraagt aan algehele vernietiging. Het gaat niet om het geld zelf maar de manier waarop wij ermee omgaan, het belang dat wij eraan hechten en de waarden die wij onderling al dan niet verdelen. De huidige manier in Nederland is verziekt. Wat nu?

Rotte economie herstellen?
Van een goede naar een slechte economie verhuizen is gemakkelijk. Men hoeft het geld maar te koppeken aan consumeren in plaats van het creëren van waarde. Dan is het kwaad geschiedt (gebeurde in de jaren 70) en stuurt men op de onverzadigbare hebzucht van de mens met alle gevolgen van dien. Uiteindelijk leidt dit tot gigantische crisissen, niet alleen economisch maar vooral ook psychisch en maatschappelijk. Die werkelijkheid zien wij overal om ons heen.

Van een verrotte economie naar een gezonde verhuizen is nagenoeg onmogelijk omdat men de mentaliteit van de bevoking én de aan hebzucht verbonden maatschappelijk organisatie volledig moet omdraaien. Dat wil zeggen dat wij weer om moeten leren gaan met directe waardecreatie, zelfvoorziening en persoonlijke inzet en verdeling van waarde. Dat betekent dat de bevolking, die generaties lang omringd is geweest met een feestwinkel van consumptieartikelen ineens moet kijken wat men er zelf nog van kan maken in een duidelijke wederkerige relatie met haar (natuurlijke) omgeving? Niet veel waarschijnlijk omdat we dat niet meer gewend zijn en ook in gedrag niet voor worden opgevoed. Men heeft twee linkerhanden ontwikkeld en een grote broekzak. Daarnaast zijn alle consequenties van de hebzuchtperiode zo groot dat er veel middelen nodig zijn om er iets tegen te kunnen doen. Die middelen worden nu nog uitgedrukt in geld. En dat geld moet uit de belastingen van een consumerende bevolking komen. Eigenlijk moet het komen vanuit inzicht en inzet van de bevolking zelf maar dan staat er geen geld meer tegenover maar gezondheid, de reparatie van een ongezonde maatschappij en zware arbeid vanuit inzicht. En daar zijn wij niet meer toe bereid.

Dat werk gaat generaties lange inzet kosten. De natuur lost dit soort situaties veel handiger op door ons onszelf te helpen vernietigen. Dat is de werkelijke hypotheek die wij op inze toekomst hebben gelegd, namelijk de dood van onze kinderen en kleinkinderen die wij elke kans hebben ontnomen door hen een mentaliteit over te dragen in een vervuilde omgeving die alleen maar leidt tot dood en verderf. Dat is de consequentie van onze hebzucht maar omdat deze verblindt binnen de rotheid van de economie en ons eigenbelang zal het ons over het algemeen een rotzorg wezen. Wie dan leeft, wie dan zorgt.

De enigen die verantwoordelijkheid kunnen nemen zijn wijzelf, de volwassen generatie en via onderwijs en opvoeding ook naar de toekomstige generaties.

Sustainocratie is een voorbeeld van een oplossing in een complexe, geinstitutionaliseerde maatschappij. Waardecreatie staat dan voorop en kan snel worden waargemaakt én Nederland zelfs op de wereldkaart zetten als gebied waar voor het eerst echt verantwoordelijkheid werd genomen.

“Dankjewel papa en mama” kan dan uiteindelijk in de toekomst verschillende betekenissen hebben in de ondertoon. Wij bepalen welke.

Waarom Nederland in geldnood verkeert

Prinsjesdag 2012 was weer een vertoning van de grote afstand die politiek Den Haag heeft met de werkelijkheid en de politieke onmacht waar men in leeft. De miljoenennota werd gepresenteerd en ondanks de vele bezuiningsacties van het vorige kabinet en dat wat nu in de maakt is schieten we er helemaal niets mee op. De staatschuld stijgt, de overheid kan het probleem niet meer aan en ondertussen worden de lasten van de maatschappij steeds maar hoger zonder dat men er ook maar iets van terugkrijgt behalve meer lasten en schulden. De maatschappij heeft zich rond verkeerde principes ontwikkeld. Probeer daar nog maar eens uit te komen…..

We zien een gemiddelde jaarlijkse stijging van de overheiduitgaven van 6%. Dat is een verdubbeling elke 11,5 jaar. En dat is ook te verifieren. In 2001 was de miljoenennota geen 260 Miljard maar ergens rond de 110 Miljard. De groei in lasten is exponentieel. Hebben we het zoveel beter dankzij die extra lasten? Nee, helemaal niet. Integendeel. Een groot deel van de groei in kosten gaat dan ook zitten in extra bestuurslagen, meer controle en regels, maar geen enkele toegevoegde waarde.

De economische groei in Nederland bleef echter een tijdje steken op ongeveer 3% maar de laatste jaren vertoont deze een afvlakking rond de 0% en soms zelfs een krimp. De grote groei van de onkosten heeft te maken met de manier waarop onze maatschappij is georganiseerd. Die heeft een ontwikkeling doorgemaakt die we nu voor onze kiezen krijgen. Dat ligt niet alleen aan de overheid. Aan de hand van wat plaatjes probeer ik een beeld te schetsen van het complexe probleem. Natuurlijk mag iedereen schieten op de weergave door over details te vallen maar de inhoudelijke tendens en problematiek zal niemand kunnen weerleggen. Helaas eigenlijk want we zitten midden in een schijnbaar onoplosbaar probleem vanuit een puur geldgedreven (lees economie) invalshoek. Er moet iets heel anders gebeuren dan politiek haalbaar is. Dat beschrijf ik al in sustainocratie, maar die oplossing wordt nog niet algemeen aanvaard. Dat komt nog wel…..

Een modern mensenleven:

Als we een normaal mensenleven beschouwen vanuit de traditionele productiviteit dan zien wij een plaatje waarin gezonde volwassenheid een piek vertoont waaraan een opbouwende jeugd vooraf gaat en een lichamelijke aftakeling op latere leeftijd.

De menselijke productiviteit kan positief worden beïnvloed

Een mensenleven wordt in productiviteit positief beinvloed door gezondheid, vrede, opleiding en positieve arbeidsomstandigheden in de directe omgeving. Zo kan men degewenst (motivatie is ook belangrijk) zelfredzaam bijdragen aan de maatschappij waarin men leeft.

De meerwaarde van zo’n productief leven wordt maatschappelijk belast om de investering te dekken die nodig is om die positieve productiviteit in stand te houden. In onze moderne samenleving hebben we tevens alles zodanig ingericht dat een mens zich volledig kan richten op die productiviteit waardoor er niet alleen belastbare meerwaarde optreedt maar ook voldoende extra’s voor investering in wooneigendom, luxe, pensioenen en zekerheden via verzekeringen.

Meerwaarde wordt belast voor zekerheden
Productiviteit en Meerwaarde wordt gebruikt om risico’s af te dekken

Dat is op papier een perfect draaiende economie ware het niet dat de mens nu eenmaal een mens is en geen robot. Wij hebben onze goede en minder goede kwaliteiten. Zo ontwikkelde de maatschappij zich in lutele decennia vanuit een relatief zelfredzame waardengedreven cultuur naar een consumptiecultuur van allerlei externe afhankelijkheden en hebzucht. Een gemeenschap die zichzelf afhankelijk heeft gemaakt van consumptie in plaats van meerwaardecreatie is uiteindelijk gedoemd te mislukken. Waardecreatie is namelijk een goede manier om innovatief bezig te zijn met verandering. Maar consumptie van overvloeden haalt niet de creativiteit maar juist gemak en hebzucht boven bij de mens. Daarnaast is overconsumptie ziekelijk voor de mens én de omgeving  Er ontstaan allemaal negatieve kwaliteiten die uiteindelijk de productiviteit van meerwaarde structureel schaden en zelf volledig teniet doen.

De lasten stijgen exponentieel
Lasten stijgen exponentieel als toegevoegde waarde achter blijft

Enerzijds leven we langer dankzij de medische kennis en langdurige vrede van deze tijd. Maar vanaf een bepaalde leeftijd leven we geen productief leven meer maar soeperen wij een welverdiend pensioen op waarvoor we gespaard denken te hebben. Deze pensioenen zijn gespaard in een economie die met inflatie gepaard gaat. Daardoor moet met het pensioen geld worden gespeculeerd om zowel de prijsstijging over de jaren als de langere levensduur te kunnen financieren.

We hebben daarnaast de maatschappij functioneel zodanig gefragmenteerd dat de oude rol van wijsheid en familiaire ondersteuning van de gepensioneerden niet meer wordt benut. De bewustwording die de ouderen hebben ontwikkeld wordt niet meer structureel overgedragen aan de jongere generaties. Noch krijgt deze generatie hulp van de ouderen in de opvoeding en opvang van de kinderen. Ook dat is structureel ge-economiseerd waardoor de lasten voor de productiviteit alleen maar omhoog zijn gegaan terwijl de generatie die dat als natuurlijk proces had ondergaan zich heeft ontwend van de taak.

De daarop volgende generaties leven met een gevoel van heb en gemakzucht omdat zij omringd zijn door schijnbare overvloed van een distributie maatschappij die erbij gebaat is zoveel mogelijk consumptie impulsen te leveren aan de gemeenschap. Opvoeding en ouderenzorg is uitbesteed aan het systeem waardoor er extra hard moet worden geconsumeerd om die lasten te kunnen bekostigen. Dat werk vindt men vooral in de distributie en verkoop sector welke zich niet kenmerkt door kennis maar vooral kosten efficientie. Hierdoor zijn vooral goedkope handjes van belang en lopen ouderen met een opleiding en ervaring steeds meer in de problemen om een toegevoegde waarde te kunnen leveren. Dankzij internet en webgebaseerde winkels is ook in deze de distributie en verkooparbeid onder druk komen te staan. De overheid gedomineerde instantie zoals zorg, onderwijs, veiligheid, e.d. worden in stand gehouden door de directe en indirecte belastingdruk op de consumptiewereld. Ongezondheid is economie geworden, gezondheid niet. Je hebt echter gezondheid (fysiek en mentaal) nodig voor waardecreatie. Ongezondheid onderbouwt vooral een consequentiegedreven zorgsysteem.

Dit valt om omdat zorg zonder waardecreatie alleen maar met schuld op te lossen is. Maar met welk onderpand? Schuld op een nog onbekende productiviteit in de toekomst?

Zo zijn er veel meer details die de individuele productiviteit omlaag brengen en de maatschappelijke lasten omhoog. Dit is natuurlijk onhoudbaar en ontploft in ons gezicht. Naast een reeds geleden (en voortdurende) kredietcrisis geldt in Nederland een “zekerheden” crisis en een “waardcreatie” crisis. Het gaat dan niet om geld alleen maar om de mentaliteit van de bevolking die oude zekerheden als garantie ziet maar niet het gebrek aan waardecreatie dat nodig is om de zekerheden te onderbouwen.

Recht op zekerheden, bureaucratie en gebrek aan waardecreatie

Met kapitaalinjecties worden de verkeerde elementen in stand gehouden die juist de problemen hebben veroorzaakt (banken, consumptiefocus en financiele zekerheden) terwijl het onderlinge wantrouwen en de bureaucratie toeneemt wegens de druk van de lasten (die hierdoor maar hoger worden). De schuldenlast stijgt bij alle partijen terwijl de maatschappelijke belasting steeds meer drukt op een onproductieve bevolking. De consumptiecultuur lost het niet op waardoor het faillissement van Nederland ook niet lang meer op zich laat wachten. Kapitaalinjecties die een hypotheek leggen op de toekomst kunnen het nog enige tijd uitstellen maar de ziekte zit al gebakken in de maatschappij.

Daarom verkeert Nederland in geldnood. Maar met geld lost men het niet op dus is al die politieke discussie zinloos in Den Haag. Helaas kan het niet anders omdat de democratie nu eenmaal van de instelling verlangt dat zij het klatergoud in stand houdt, tegen beter weten in, of men weet niet beter, een van de twee.

Waardecreatie is een emotie, een gevoel van innerlijke drang die te maken heeft met zingeving, duurzame vooruitgang en persoonlijke ondernemerschap. Dat ontbreekt in Nederland de laatste decennia en als dat niet snel wordt teruggevonden dan zal ons risicomijdend landje over niet al te lange tijd zich ook in de rij van de probleemlanden van Europa mogen gaan scharen. Als er dan nog sprake is van een Europa.

Wat is dan “sustainocratie”?

Sustainocratie bestaat uit “sustainability” en “democracy”. Het betekent zoveel als “duurzame menselijke vooruitgang op een democratische manier”. Dat verschilt niet zoveel van een normale democratie zou je misschien zeggen maar dat doet het wel. Hier treft u een korte uitleg (10 minuten op YouTube) van mij tijdens een wandeling in 2012 op verzoek van Nicolette Meeder.

Wat is duurzame vooruitgamg?

Het grote verschil is juist dat het maatschappij-doel vast staat, namelijk: duurzame menselijke vooruitgang. De democratische discussie, de vrijheid van meningsuiting en handelen vanuit verantwoordelijkheden is dan volledig gericht op dat hogere doel.

Dat is leuk en aardig en zal ook iedereen wel begrijpen maar in de Stad van Morgen zaten we nog met één groot probleem. Wat verstaan we onder woorden als duurzaamheid, duurzame vooruitgang en duurzame menselijke vooruitgang? Er zijn veel definities in omloop maar geen enkele gaf ons voldoende handvatten om er dagelijks verantwoordelijkheid voor te nemen, als instelling noch als individu. Ook als ik vroeg in een congres “wat verstaat u onder duurzaamheid?” dan was het antwoord altijd iets tastbaars op gebied van energie, fair trade, gezond eten, enz maar niemand keek naar een breder evolutionair menselijk perspectief, onze levensstijl of de kijk op de wereld die wij hanteren en waarop wij onze dagelijkse verantwoordelijkheden afstemmen. Wij hadden een definitie nodig die ons kon helpen om verantwoordelijkheid te nemen voor de mens zelf.

Definitie van “duurzame menselijke vooruitgang”

 Samen blijven werken aan een gezonde, vitale, veilige, vooruitstrevend zelfredzame menselijke maatschappij, binnen de context van onze aldoor veranderende natuurlijke omgeving.

Deze definitie is van een hele andere orde dan de manier waarop onze maatschappij vandaag de dag democratisch is ingericht rondom geldgedreven eigenbelang  zonder verwijzing naar concrete verantwoordelijkheden voor de mens zelf, laat staan de relatie die wij hebben met van onze omgeving. We zien de dingen die we willen hebben als externe zekerheden waarmee we ons omringen. We debatteren heel democratisch over het in stand houden van deze zekerheden die we ooit verworven hebben en stemmen op politieke partijen die daar allerlei beloftes over doen maar ondertussen dragen wij onbewust bij aan de aftakeling van onze omgeving en onszelf. Straks is er geen democratische keuze meer mogelijk omdat onze heb- en heerszucht roofbouw heeft gepleegd op onszelf en de natuur. Vaak gaat dat zonder dat we er veel van merken omdat we omringd zijn door allerlei geruststellende geluiden van overheden en instellingen die ons proberen aan te tonen dat het wel goed zit. Dat is natuurlijk niet zo.

Co-creatie

Als we het BAGE proces doormaken dan worden we er ons bewust van en zien we ook hoe we veelal door die belangenpartijen gemanipuleerd worden, inclusief het rechtsysteen. We noemen dit “het systeem” dat we hebben opgebouwd met elkaar en waarin we een gelukkig leven hebben geleid. Daar is de moderne democratie ook voor bedoeld. Dat kan nog altijd, zeker gezien de technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen die we hebben doorgemaakt, maar dan moeten we ons de definitie van duurzame menselijke vooruitgang eigen gaan maken. Dat blijkt toch vaak moeilijker dan we denken.

De begrippen gezondheid, veiligheid, vitaliteit zijn niet te waarborgen uitsluitend met geld. Het zijn begrippen die gefundeerd zijn op ethiek terwijl een systeem van regels en wetten niet strikt gebaseerd is op morele zingeving, hooguit straffen van immorele of onethisch gedrag volgens een normering binnen het systeem.  We zien dat deze begrippen noodzakelijkerwijs gepaard gaan met de ontwikkeling van ons bewustzijn rondom de manier waarop wij met onszelf en elkaar omgaan. We zien dan ook hoe we onze omgeving vervuilen en daarbij ook onze eigen gezondheid en vooruitstrevendheid. Het is niet moeilijk in te zien dat als een “gezonde leefomgeving” de maatschappelijke norm zou moeten zijn er een heleboel zou moeten gaan veranderen in de maatschappij, in onze eigen levensstijl maar ook de hele maatschappelijke organisatie, tot aan de grondwet toe.

We willen dan al snel de opgebouwde structuur van onze maatschappij als vaststaand feit aanvaarden en oplossingen trachten te zoeken binnen de gestelde kaders. Maar ook de geschiedenis toont dat af en toe die blinde toevlucht tot oude kaders juist leidt tot de instorting van het systeem. Sustainocratie schept op eenvoudige wijze een alternatief dat zich voor uiterst concrete belangen van harmonie, balans en stabiliteit bedient van de bestaande pilaren van de huidige maatschappij maar in een andere co-creatieve verhouding met elkaar. Heb en heerszucht zullen wij nooit elimineren uit de menselijke natuur maar kunnen het wel ondergeschikt maken aan vrede en vooruitgang.

Door de mens centraal te stellen staat meteen de maatschappij ter discussie die decennia, bijna eeuwen lang, rondom geld heeft gedraaid en zich heeft ontwikkeld. De verschillen tussen maatschappijbeelden, mens of geld centraal, zijn in deze tekening ondergebracht.

Image
Sustainocratie positioneert zich met welzijn boven hebzucht zonder hebzucht ter discussie te stellen

Sustainocratie laat een maatschappij niet cyclisch meer vervallen in chaos zoals dat in het verleden gebeurde met oorlogen, recessies en depressies. Door de maatschappelijke context te verleggen naar welzijn kan hebzucht een ondergeschikt belang zijn dat aan banden wordt gelegd ten behoeve van duurzame menselijke vooruitgang. Een sustainocratie zet daarom geen streep door onze menselijke evolutie maar vult het aan met wat we over de eeuwen heen geleerd hebben. Het is een aanpak die de mens centraal stelt rondom een structuur van hoger bewustzijn waarin macht en autoriteit erkend blijft maar wel als toegevoegde waarde voor de mens en natuur en niet ten kosten van. Iedereen wordt uitgenodigd om daar mede verantwoordelijkheid voor te nemen en deel uit te gaan maken van Sustainocratie. Het is een persoonlijke keuze op basis van ethiek, verantwoordelijkheid en zelfbewustzijn.  Het nieuwe leiderschap, dat bent u zelf.

De Sustainocratie ziet er dan zo uit:

Sustainocratie is een tagel met fysieke mensen die autoriteit toevoegen an co-creatie voor menselijk belang
Sustainocratie is een tafel met fysieke mensen die autoriteit toevoegen aan co-creatie voor menselijk belang, harmonische relaties met mens en omgeving, en ethiek

Fasen van de Stad van Morgen

De Stad van Morgen heeft drie van de vier fasen doorlopen die wij nu het BAGE proces noemen. Dit proces doorloopt iedereen die in aanraking komt met onze stichting en de wereldbeelden die wij oproepen om de transitie te onderbouwen tussen de huidige werkelijkheid en dat wat wij als doel stellen (duurzame menselijke vooruitgang volgens onze eigen definitie).

Fase 1: Bewustwording

Deze fase hebben wij intens beleefd. De stichting is ontstaan door de intense bewustwording van mijzelf (inititaiefnemer Jean-Paul Close) maar daar red je het natuurlijk niet mee. Hoe vertaal je persoonlijke inzichten naar een maatschappijbreed gedragen nieuwe complexiteit? Dan is allereerst een veel algemenere bewustwording noodzakelijk.

Stad van Morgen ging daarom aan de slag met het organiseren van allerlei bijeenkomsten. Daarvoor vonden wij onze gelijke in het toemalige duurzaamheid centrum (ICSE) in Eindhoven. Het was een mooie exporuimte van vele duizenden vierkante meters en een auditorium waar we mee aan de slag konden met onze bewustwordingscongressen. We hebben er 8 in totaal georganiseerd samen met allemaal bevlogen mensen op gebied van duurzaamheid.

Er is een verslag gepubliceerd uit die periode (september 2009 tot en met mei 2010) onder de naam 23.000 uur, hetgeen de inschatting weergeeft van de vele uren die vele mensen hebben geinvesteerd in het vormgeven van vernieuwing volgens het Stad van Morgen en hun eigen inzicht en zoektocht.

23000uren (2)

Maar helaas kwam er, behalve bewustwording, niet veel van maatschappelijke verandering terecht. De volgende fase diende zich aan.

Fase 2: Aanvaarding van nieuwe verantwoordelijkheden

In de eerste fase waren wij er als stichting vooral op uit om “anderen” bewust te maken van de grote maatschappelijke uitdagingen via allerlei thematische bijeenkomsten. Wij hoopten natuurlijk dat al die partijen verantwoordelijkheid zouden nemen voor die veranderingen. Waar wij zelf uiteindelijk ons bewust van werden was dat de meeste mensen wel realiseerden wat er toen stond maar opgesloten bleven in de oude keten van afhankelijkheden van de geldgedreven maatschappij. Zij zochten dan ook al snel naar oplossingen binnen die oude structuur. Vaak speelde ook het materiele eigenbelang daarin een rol. Idealisme is prima maar de medemens moet ook overleven en rekeningen betalen in een wereld die draait om geld. De oplossingen die men zocht werden zo mogelijk afgestemd op die belangen.

De stichting en ikzelf kwamen tot de conclusie dat we zo niet verder konden komen. Als wij een doorbraak wilden creeren in de transitie van de gehele maatschappij dan moesten wij daar zelf verantwoordelijkheid voor nemen. Dat is een uiterst intens besluit dat vooral mij als persoon aanging en niet de stichting als instantie. Van een sprekende, visionaire rol transformeerde mijn rol in een van het nemen van het voortouw in nieuwe tijdse verantwoordelijkheden. Daarbij stelde ik mijzelf enorm kwetsbaar op maar diende als voorbeeld voor mogelijke andere pioniers om via de stichting ook mee te gaan doen. Dat is een intense gewaarwording die dan automatisch de volgende fase inluidt.

Fase 3: Gedragsverandering

De stichting begon zich op een andere manier op te stellen in haar omgeving. Allereerst was ikzelf uiteindelijk de enige die zo’n beetje overbleef van de grote groep betrokken mensen. Ik was de enige die verantwoordelijkheid wilde nemen voor het ingrijpende transformatie proces met alle gevolgen van de dien. De andere deelnemers aan fase 1 wilden oplossingen blijven zoeken in het oude paradigma terwijl ikzelf overtuigd was dat het geheel anders moest.

Gedragsverandering is een uitdaging op zich omdat je jezelf ineens ziet in een enorme leegte waar alles nog georganiseerd moet worden en je er helemaal alleen voor staat. Daarbij ben je natuurlijk persoonlijk enorm kwetsbaar omdat je het oude systeem de rug toe keert. Ik had het “geluk” dat ik met redelijke vrijheid en zonder oude lasten van het verleden aan deze taak kon beginnen. Mijn huis en oude zekerheden waren mij al ontnomen. Alles lag dus nu aan mijzelf en mijn eigen geworven souvereiniteit.

Naar mate ik stapje voor stapje onderzocht hoe ik dan die complexe veranderingen door moest gaan voeren, die we in de eerste fase al ideologisch hadden belicht, kwam langzaam het sustainocratische principe in beeld. Het maatschappijbeeld waar we naar toe wilden was er al en zo ook de route via chaos en bezieling om naar een nieuwe complexiteit te gaan werken. Maar dat er ook een mogelijke kortere route was ontdekte ik gaandeweg. Dat deed ik na verloop van tijd niet meer alleen. Er waren concrete initiatieven ontstaan waar zich partners aan hadden gekoppeld:

  • AiREAS: Marco van Lochem
  • STIR Academy: Nicolette Meeder
  • Spanje: Luis Escobar

Zonder de unieke kwaliteiten van deze mensen zou ik de complexiteit nooit zelfstandig aankunnen. Samen begonnen we verantwoordelijkheid te nemen waarbij ik het visionaire kader verder ontwikkelde en mijn partners op de deelgebieden een unieke bijdrage gingen leveren in de praktische concretisering. Dat bleek te werken ook al moesten ook mijn partners het BAGE proces doorlopen. In die fase zaten we anno herfst 2010.

Fase 4: Erkenning

Erkenning van je inzet en verantwoordelijkheid komt als je algemeen aanvaardde resultaten boekt die de mensen die meekijken overtuigen dat je op de goede weg zit. In deze wereld kunnen we grofweg de verhouding 10-80-10 hanteren als we veranderingen willen doorvoeren, Van de 100 mensen:

  • 10% zijn altijd voorstander
  • 80% twijfelen altijd
  • 10% zijn altijd tegenstander

De erkenning van onze resultaten vormen argumenten om de twijfelaars mee te krijgen in de vernieuwingsprocessen. De voorstanders die zich als pionier inzetten hebben de keiharde en vaak enorm moeilijke taak gehad om bewijs te leveren van hun inzet en visie. De mens zoekt zekerheden en wil pas meegaan als die zekerheden geboden worden. Idealisme is een mooie belofte maar blijft zweverig voor de massa als deze zich niet concretiseert in praktische ontwikkelingen. Ook voor de pioniers zelf is erkenning van belang om voortgang te blijven boeken en de aanpak op te gaan schalen naar een groter bereik.

Het is dan ook van enorme betekenis dat de fase van erkenning gezocht wordt bij de invulling van verantwoordelijkheden. Dat kan alleen door het grote idealisme te verkleinen tot haalbare, korte termijn stapjes. Daar zit een uitdaging op zich, zeker als het gaat om de ingrijpende verandering van een Global Shift, een transformatie van het kaliber van een Sustainocratie waarin een nieuwe werkelijkheid gaat overheersen.

In de loop van 2012 zijn de eerste tekenen van erkenning zichtbaar geworden door resultaten op gebied van de STIR Academy (kleinschalig) en later AiREAS (op Sustainocratisch grote schaal). De huidige status van de Stad van Morgen is derhalve er een van doorpakken vanuit de ingeslagen weg en vooral de eerste erkenningen opschallen naar een definitieve status van verandering. Met de ervaringen die wij hebben opgedaan kunnen nieuwe ambities worden aangegaan met geduld omdat we nu de tekenen herkennen die nodig zijn voor de stip-stap processen. Waar we vroeger haast hadden om resultaten te boeken zijn we nu geduldig om de resultaten te waarborgen, zichtbaar te maken en uit te laten groeien tot een wereldveranderende beweging. Sustainocratie bestaat nu en is de fase van kwetsbaarheid doorheen. Het uitzaai proces is begonnen en zal onstuitbaar zijn.

Door de fasen zelfbewust te zijn doorlopen en op te hebben geschreven kunnen we ook respectvol omgaan met de weg die de vele anderen die volgen moeten doormaken. Als dat al moeilijk is op persoonlijk vlak dan kunt u zich voorstellen hoe ingrijpend het is voor instutionele partijen en een hele maatschappij. Maar we hebben aangetoond dat het kan en dat is voor de meeste mensen doorslaggevend om het ook te proberen.