stip, stap …… stop niet

Zelfmedeleiden

In 1996 was mijn leven even een chaos. Tegelijk met mijn echtscheiding had ik besloten om bij mijn internationale werkgever weg te gaan. Ik wilde vooral geen ansichtkaartvader te worden voor mijn 2 jarige dochter. Ik moest verhuizen van een riante woning in de duurste wijk van Madrid naar een studentenflatje ergens in de buitengebieden. Mijn dikke expat salaris kon ik vergeten en mijn echtgenote ging met mijn dochter elders wonen. Er moesten diverse rechtszaken gevoerd worden om mijn leven als internationale executive en huwelijkspartner af te sluiten. Ik ging door een diep persoonlijk dal.

Mijn plan was om voor mijzelf te beginnen maar moest drie tot vier maanden overbruggen voordat ik dat kon doen. Eerst netjes afsluiten en dan pas nieuwe dingen starten. Die maanden lagen als een zwart emotioneel gat voor mij en het risico bestond dat ik zou wegkwijnen in zelfbeklag en zieligheid. Het werd voor mij belangrijk  om iets vinden dat gedurende die tijd mijn zinnen zou helpen te verzetten.

Marathon Madrid

In de lokale krant was een trainingsschema verschenen voor de lokale Marathon die drie maanden later zou worden gelopen. Ik besloot mij in te schrijven om er als stip of de horizon naar toe te gaan leven en werken. Elke dag begon ik te trainen om de afstand van ruim 42 km te kunnen overbruggen. Dit hield mij bezig en zorgde ervoor dat ik met een graad van optimisme tegen het leven aan bleef kijken. Ik had iets om naar uit te kijken als prestatie waar ik ondertussen voor moest werken door concrete stappen te ondernemen.

Stip – stap was geboren als aanpak. Een duidelijke stip op de horizon en concrete stappen om die stip te bereiken.

De uiteindelijke marathon heb ik uiteindelijk met veel moeite uitgelopen. De heuvels van Madrid en de oplopende temperatuur bleken vooral de tweede helft van de route een dodelijke aanslag op het doorzettingsvermogen. Toch ging ik door in de wetenschap dat ik dit maar één keer zou doen en daarna misschien nooit weer. Als ongeveer 3200ste van de 6000 deelnemers kwam ik over de eindstreep in een belabberde tijd van 4 uur 22 minuten. Máár….Ik had mijn korte termijn doel bereikt en kon met een tevreden gevoel beginnen aan mijn nieuwe levenspad als ondernemer en een directe vaderrelatie blijven onderhouden met mijn dochter. Mijn oude leven was, voor zover mogelijk en wenselijk, afgesloten en een nieuwe balans was gevonden.

AiREAS 2011

Deze persoonlijke stip/stap strategie was mijn motto geworden voor de verschillende projecten waar ik mij sindsdien op heb geworpen als ondernemer. En zeker nu, als paradigma veranderaar via de stichting STIR ofwel de Stad van Morgen. Daaruit is zo ook AiREAS ontstaan na veel stippen en stappen.

Tijdens een zo’n AiREAS bijeenkomst om burgerparticipatie te bespreken was ook een lokale TV ondernemer aanwezig. Hij wist het nog eens mooi samen te vatten door bijna zingend stip – stap, stip – stap te institutionaliseren. Hij herinnerde mij aan mijn eigen stip-stap destijds in Madrid. De uitspraak ging een leven leiden binnen de groepen die we vormden. Zaken konden nog zo abstract en complex lijken uiteindelijk moesten ze terug gebracht kunnen worden tot stip- stap trajecten. Het werd mijn taak om te zorgen dat er allerlei stip-stap projectjes van waardecreatie ontstonden. Of ze ook daadwerkelijk de eindstreep behaalden moest vaak nog blijken maar het was altijd het proberen waard.

Er waren natuurlijk genoeg mensen en ondernemers die zich alleen aan een enkele stip met stap verbonden om vergelijkbare redenen als ik destijds, namelijk het stellen van een overbruggingsdoel waarna zij weer iets anders gingen doen. Als er echter nieuwe stippen in verschiet lagen dan had men vaak de smaak te pakken om weer eens mee te doen. Soms werd dan de lat zelfs hoger gelegd. Elke stap werd een uitdaging en elke bereikte stip een feestje.

De lijn van duurzame menselijke vooruitgang kon zo bezaaid raken met veel stip-stap projectjes. Het werd als een continue proces ervaren, ook al was het vaak met wisselende deelnemers. Door stippen duidelijk te definiëren, inclusief de wederkerigheid voor de deelnemers aan dat proces, werd het een af te ronden geheel. Elke nieuwe stip kon nieuwe deelnemers krijgen, soms afvallers van de vorige trajecten, of gevoed worden vanuit de bestaande teams. Zo ontstond er een dynamiek van vrije deelname en bijdrage met een geheel eigen filosofie :

stip, stap, …..en stop niet…..

Vrijheid, onderdrukking en vooruitgang

We leven in een land in vrede en daarom kunnen wij in vrijheid denken, zols bijvoorbeeld aan onze vooruitgang. Om deze luxe te bereiken is ook een vorm van onderdrukking nodig. Dat lijken twee tegenstrijdige begrippen, vrijheid en onderdrukking, dus laten we er even bij stil gaan staan. Dit is belangrijk omdat het principe van menselijke vooruitgang juist daar weer mee te maken heeft, zeker nu wij uitgedaagd worden door crisissen in onze maatschappij die ook het begrip “vooruitgang” ter discussie stellen.

Vrijheid
Wat is vrijheid eigenlijk? Is het de vrijheid om je te bewegen? Vrijheid van meningsuiting? Keuzevrijheid? Je mag wel iemand beledigen of uitschelden maar niet slaan of vermoorden. Je mag wel karretjes volladen met voedsel in een supermarkt maar niet ermee weglopen zonder te betalen. Je mag de wereld vrij rondreizen maar niet zonder identiteitsbewijs.

Alles wat je mag doen in vrijheid is dus omringd met voorwaarden en beperkingen. We worden in onze vrijheid dus gestuurd en onderdrukt. Deze “onderdrukking” blijkt noodzakelijk om onze vrede en vrijheid te behouden maar waar begint het en waar houdt het op?

Het “zijn”
Vrijheid heeft een directe relatie met de erkenning van een zelfbewust wezen als zelflerende, zelfstandige identiteit. Deze erkenning is op zichzelf ook een blijk van zelfbewustzijn. We stemmen deze erkenning dus op elkaar af door elkaars identiteit te erkennen. We zijn daarin dus geen boom of lantaarnpaal maar een denkend, redenerend, lerend en actief wezen dat in de medemens haar gelijke erkent.

Deze gelijkwaardigheid in het zijn heeft tegelijkertijd een belangrijke consequentie, namelijk dat wij onderling ook afspreken wat voor een ieder van ons belangrijk is en waardoor wij er bewust aandacht aan moeten besteden. Veiligheid is zo’n thema. Doordat wij een zelfbewust wezen zijn kennen wij ook pijn, lijden en de dood als gegeven van ons bestaan. Elkaar vrijwaren van deze zaken is dan ook belangrijk. We worden dus in ons bestaan door onszelf geholpen door onderlinge afspraken te maken die respectvol zijn naar elkaar toe. Daarin kunnen we verder gaan, zoals samenwerken bijvoorbeeld.

Het “doen”
Nu is de mens ook een levend wezen dat zoals elke levende soort wil voldoen aan haar levensbehoeften. We moeten dus overleven om te kunnen leven. In dat aspect zit een doelbewuste actie die samenwerking maar ook de nodige concurrentie met elkaar kan opleveren. We concurreren om voedsel, woonruimte, een partner, enz. In dat doen willen we wel eens onze respectvolle zijns afspraken vergeten en de agressie ontdekken die onze soort ook eigen is. We komen voor ons eigenbelang op. En dat kan soms erg ver gaan. Hoe ver dit mag gaan is afhankelijk van de omgevingsfactoren waarin de confrontatie plaats vindt. In tijden van oorlog zijn vijanden dodelijk op elkaar ingesteld. In tijden van vrede verwacht men van elkaar een soort tolerantie en overredingskracht.

Dat vergt dan weer een stukje opvoeding en opleiding dat ge-ent is op de eigenheid van een lokale omgeving en bijbehorende cultuurontwikkeling. Het overstijgt de individu waardoor er structuren worden gecreëerd rondom het overleven en leven in een regio. Gaandeweg hebben die structuren allerlei instellingen opgeleverd die ook weer onderling met elkaar omgaan. Denk aan overheden, bedrijven, scholen, enz.

Normen en waarden
Afhankelijk van de omstandigheden leggen wij onszelf dus regels (normen) op die ons onderlinge gedrag bepalen. Wij genieten daardoor vrijheden onder voorwaarden. De voorwaarden (waarden) die wij met elkaar afspreken bepalen onze eigen cultuur van vrijheid en de manier waarop wij elkaar aan kunnen spreken op de uitoefening ervan. We noemen dit “maatschappij”.

Tot zover lijkt het allemaal erg logisch maar waarom zijn er dan zoveel verschillende soorten maatschappij? Waarom wordt vrijheid en onderdrukking overal anders toegepast? En zijn onze eigen vrijheden en opgelegde beperkingen wel zo “normaal” voor anderen?

Dat komt omdat in verschillende gebieden de erkenning van de vrije zelfredzame identiteit, de “ik”, niet voor iedereen en overal gelijk wordt erkend. De vrouw wordt wel eens gezien als bezit van de man, bedoeld om er nageslacht mee op te bouwen, maar niet om in gelijkheid en evenredige veiligheid mee om te gaan. De menselijke “ik” van kinderen wordt soms pas erkend als ze een bepaalde leeftijd hebben bereikt en sommige maatschappijen hanteren eigen normen en waarden die zij ook verwachten van andere maatschappijen voordat zij de betreffende mensen als identiteit erkennen. De mens is dus niet zomaar eenduidig als mens aan te duiden maar de inkleuring via normen en waarden van de mens wordt als even belangrijk en soms zelfs belangrijker ervaren.

Lokale onderlinge afspraken gelden vaak wel voor de een maar niet voor de ander op basis van leeftijd, geslacht, huidskleur, geloof, geboortegrond, enz. Het is nog niet zo dat de mens in de hele wereld elke mens automatisch in het “zijn” erkent vanaf de geboorte. Die erkenning wordt ook geconditioneerd door de omringende levensovertuiging en het wereldbeeld van die identiteit die zich gaandeweg lokaal in de geschiedenis heeft ontwikkeld. “Ik ben een zelfbewust menswezen” is derhalve niet onmiddellijk voldoende om als zodanig erkend en gerespecteerd te worden. Er zit vaak meteen al een dikke historische schil omheen. Die schil geldt voor lokale veiligheid maar garandeert niet de veiligheid tussen ALLE mensen.

In tijden van duidelijk afgebakende landen en culturen was dit onderscheid redelijk aanvaardbaar. Het leverde soms oorlogen op maar dat was tussen “mens of maatschappij “soorten” – de “wij” en “niet wij””. In ons huidige tijdperk van open grenzen, multiculturele samensmeltingen en een groeiende wereldpopulatie, is het redeneren en blijven handelen vanuit cultuur-historische verschillen niet of nauwelijks te doen. Zijn wij verschillende soorten mensen? Of hebben wij ons anders ontwikkeld in onderlinge afspraken? Dienen wij onze eigen afzonderlijke afspraken van elkaar af te dwingen of bij gemengde culturen de verschillen overstijgen en de overeenkomsten in t elren zien? Gaan wij dan terug naar de menselijke basis? Loslaten en opnieuw beginnen met het maken van afspraken? Zijn er misschien afspraken die we nu al met elkaar kunnen afstemmen zonder afbreuk te hoeven doen aan onze oorspronkelijke levensovertuiging? Hoe gaan we samen om met onze vrijheid en onze noodzakelijke maar verschillende uiting van onderdrukking?

Ethiek
In een multiculturele samenleving is opnieuw beginnen erg lastig. Een levensovertuiging op basis van normen en waarden die men van huis uit heeft meegekregen laat men niet zomaar los. Die berusten op een “waarheid” die erg sterk van binnenuit wordt beleefd. Moet iedereen zich dan aanpassen aan de normen en waarden van het gebied waarin men komt te wonen?

Betekent dat dan ook niet een verplicht, dwangmatig loslaatproces van iemand’s oorsprong? Wat gebeurd er als men geen van beide eist en de mens zelf laat stoeien met de eigen normen en waarden en die verschillen met de omgeving? Wat is dan het nut van lokale wetgeving en wat is “recht”?

De complexiteit waarmee we in onze vrijheid worden geconfronteerd is dat wij de onderdrukking om die vrijheid te beleven op verschillende manieren hebben ingevuld in onze geschiedenis. Daar zijn vaak goede redenen voor aan te wijzen maar de vraag is dan of die ook in deze tijden nog geldig zijn? En waar of wanneer wel? En wanneer niet? Of zijn ze universeel van toepassing (en opeisbaar) als ze ooit onder concrete omstandigheden lokaal zijn ontstaan.

We komen dan op het terrein van de filosofische en praktische discussie van “ethiek”.

Terwijl normen en waarden een duidelijke lokale oorsprong hebben en bepalend zijn voor de manier waarop wij aldaar onderling met elkaar omgaan, hoe verwerpelijk ook vanuit het blikveld van een andere levensovertuiging, gaat ethiek over universele waarden. Ook dit is natuurlijk een delicaat punt omdat ook religies de pretentie hebben om zich daarover te uiten volgens de geschriften en onderbouwing door een of meerdere profeten. Het kan dus zijn dat de discussie over ethiek tot andere conclusies komt dan die van een bepaalde religie. Waarom is dat?

Ook religie is een vorm van onderdrukking om vrijheid te kunnen beleven. Religies zijn ontstaan in de historische perioden van onzekerheid van de zelfbewuste mens ten opzichte van de mystiek van het leven zelf. Territoriale wetten werden aangevuld met goddelijke wetten. Zo werd het bestaansrechtelijke “zijn” vergoddelijkt en het “doen” vermenselijkt om een onderscheid te kunnen maken in bestaan en gedrag, met verschillende vormen van verwijtbaarheid en schuld. Die vergoddelijking is door de profeten verkondigd om de vaak vastgeroeste lokale normen en waarden te doorbreken met universele reflectie. Daar zijn daarna weer menselijke eigenaardigheden geslopen op gebied van macht en hiërarchie door de dogmatische verkerkelijking van de bewust gekozen onderdelen van universele inzichten. Zo zijn er vanuit eenzelfde oorsprong allerlei verschillende geloofsovertuigingen ontstaan die elkaar ook weer beconcurreren vanuit de regerende dogma’s. De “waarheid” heeft op deze manier verschillende interpretaties gekregen. Ga iemand maar een verkondigen dat zijn of haar “waarheid” meer of minder is dan die van een ander…..

De gemiddelde mens heeft angst en schuldgevoelens die gekoppeld worden aan het bovenmenselijke, de dood en onze evolutie (waaronder de vermeende mogelijkheid van een leven na de dood en de opvattingen over het moment van de wederopstanding). Het is logischerwijs enorm moeilijk voor de mens om hierover zonder onzekerheid te durven relativeren. Men laat zich dus graag risicomijdend beïnvloeden en daar wordt vanuit specifieke overtuigingen weer gebruik van gemaakt om grote groepen mensen te binden aan het een of het ander.

In een enkel gebied waar een meerderheid zich uit hetzelfde geloof bediend zal weinig discussie ontstaan. Wanneer echter verschillende overtuigingen naast elkaar trachten te overleven en leven dan kan de discussie erg intens worden. Geloof gaat niet over wat men doet maar wat men gelooft te zijn en van waaruit men het doen relativeert en goedkeurt. Als het zijn geraakt wordt ontstaat er verschil in de beleving van menselijkheid. Dit verlangt dan een belangrijke bestaansrechtelijke discussie met duidelijke afspraken op basis van onderlinge erkenning. Dat laatste is erg lastig als de oorsprong gelegd wordt in een beleving van goddelijk gelijk.

Ethiek gaat over aantoonbare universele wetten die voor een ieder gelden ongeacht religie of lokaal geldende wetten rond normen en waarden. We leggen onze evolutionaire lat dus hoger door geen afstand te doen van onze overtuigingen of regels maar ze ondergeschikt te maken aan een nieuwe soort maatschappij. Dat is lastig als over erkenning van menselijk “zijn” al meningsverschillen zijn. Als de een de vrouw, het kind of een andere huidskleur wel erkent als gelijke en de andere niet, dan lijkt ethiek afhankelijk gemaakt te worden van een wetenschappelijke interpretatie van “wat is een mens?”.  Hanteren wij dan alleen tastbare bewijsvoering, zoals algemene lichamelijke kenmerken en dna? Of ook spirituele, zoals bewustzijn en bewustwording?

Wanneer is een mens een mens? Die vraag op zich is al een rechtsfilosofische ontwikkeling op gebied van bewustwording. De vraag zou ontkend worden door partijen die het antwoord leggen binnen een externe onzichtbare macht waaraan zij zelf waarden aan ontlenen. “De mens” is voor hen van goddelijke oorsprong en dient verantwoording af te leggen aan dat geloof. Maar ook die goddelijke oorsprong wordt door mensen anders ingevuld. Zijn er verschillende goden die zich uiten in de verschillende religies of is het dezelfde God en geven wij andere interpretaties aan die oorsprong?

Kortom. Ethiek stelt de historische interpretatie ter discussie ten behoeve van de bestaansrechtelijke menselijkheid binnen de context van onze universele oorsprong. Wetenschap en geloof dienen zich af te stemmen op duurzame menselijke vooruitgang van alle partijen. Waar we aan toe blijken te zijn is de erkenning van onze verschillen van opvattingen en het respect om die verschillen te aanvaarden en niet te bestrijden. Om dat te doen is het van belang dat er nieuwe overkoepelende afspraken komen die het universele gedrag en de onderlinge relaties bepalen van de mens of mensen. Dat betekent automatisch dat alle andere overtuigingen, zoals religie maar ook lokale wetten op basis van interpretatie van normen en waarden daar ondergeschikt aan worden gemaakt. Gelijkheid in vrijheid zullen dan maar zeggen maar keuze vrijheid in de beperkingen met in acht name van de universele ethiek.

Sustainocratie

Sustainocratie is een op ethiek gebaseerde maatschappijvorm. Het gaat niet in op levensopvattingen of geloofsovertuigingen maar wel op een gemeenschappelijke universele drang van evolutionaire duurzame vooruitgang. De algemene doelstelling die wij formuleren is vrijgemaakt van elke vorm van oordeel. Het individuele “ik ben” besef mag dan gekleurd zijn, de individuele talentvorming en inzet wordt verbonden aan een resultaat-gedreven missie volgens een universeel ethisch kader. Natuurlijk kan er ook discussie ontstaan over het kader maar dat lost veelal de huidige crisissituatie op. Het kader dient veiligheid te bieden waar anders onveiligheid kan ontstaan in een complexe situatie.

Geld
De complexiteit wordt nog groter nu er zich een andere hiërarchie en schuldsysteem heeft toegevoegd aan de discussie over ethiek: geld. Geld is ook verbonden aan “waarden”. De ontwikkeling van lokale economieën van waarden heeft de hele situatie al van een andere dimensie voorzien. Door geld als overkoepelende zekerheid te gaan zien zijn mensen bereid gebleken hun verschillen ondergeschikt te maken. Dat geeft al aan dat de oorspronkelijke geloofswaarheden en oude dogma’s geen onoverkomelijke hindernis vormen om tot een relatief vreedzame gemengde samenleving te komen. Geld heeft de maatschappij al uitgedaagd om te komen tot een status quo rond een hogere maatschappelijke waarde, namelijk geld. Geld is gekoppeld aan materialisme hetgeen via geld een tegenpool is geworden van het immateriële van het geloof. Er is een nieuw omhulsel geschapen die de mens wederom in verwarring brengt, namelijk dat van de maatschappelijke organisatie rond “het hebben”. De angst rond de onzekerheden van het zijn hebben plaatsgemaakt voor hebzucht uit angst te verliezen wat men heeft. Hebzucht heeft de laatste decennia een verontrustende ontwikkeling doorgemaakt die heeft geleid tot een wereldwijde crisis. Maar ook de macht van het geld beleeft ontkenning over universele waarden door zichzelf als enige waarheid te positioneren.

Dit brengt ethiek tot een verdere dimensie en grotere complexiteit. Niemand doet een ander kwaad door het bestaansrecht te koppelen aan een persoonlijk geloofsovertuiging, tenzij men anderen tracht te dwingen tot eenzelfde geloof. Bij hebzucht is er altijd een zuigkracht dat ten kosten gaat van de omgeving en ook de medemens. Hebzucht individualiseert verschillen en geld helpt bij het scheppen van nieuwe normen en waarden. Welke ethische universele wetten dienen zich te ontwikkelen vanuit het materialisme als dit aantoonbaar ten kosten gaat van het bestaansrecht van anderen? Hoe ontwikkelen normen en waarden zich als geld een andere waardesysteem hanteert dan bestaansrechtelijke waarden van identiteit en menselijkheid? Hoe verhouden deze lokale normen en waarden rondom economische doelstellingen zich ten opzichte van ethiek? Welke rechten ontlenen groepen mensen zich ten opzichte van anderen over het hebben en gebruiken van universele tastbare waarden? Is deze discussie hetzelfde of anders dan de ontastbare waarden van geloof?

Conclusie

Normen, waarden, religie, geloof en geld bevatten in onze moderne tijd een unieke en noodzakelijke bestaansrechtelijke reflectie en globale bewustwording  die wij onder brengen in de universele bezielende discussie van “ethiek”. Onze menselijkheid en duurzame vooruitgang is ervan afhankelijk en de discussie wordt al gevoerd. We hebben echter haast. Nu de enige overkoepelende, verbindende zekerheid in de vorm van geld in crisis verkeerd door menselijk misbruik, is de discussie van groot belang. Bij het wegvallen ervan gaan de onderlinge verschillen zich weer manifesteren met het gevaar dat men terug pakt naar oude zekerheden. Dat maakt de multiculturele maatschappij uiterst kwetsbaar en zelfs gevaarlijk. Ethiek zal dus zowel het principe van het materialisme en het immateriële moeten voorzien van duidelijkheid voordat men weer de oude vormen de boventoon laat voeren met alle gevaren van dien.

Sustainocratie is daarbij een neutrale samenleving- en samenwerkingsvorm dat zich concentreert op evenredige waardecreatie en onderlinge verdeling. Binnen Sustainocratie kan het overleg in praktische zin plaatsvinden om zo de integriteit van alle betrokken  partijen te waarborgen en van een duurzame vooruitgang te voorzien.

Boek aankondiging: Sustainocratie, de nieuwe democratie

Vandaag mocht ik de eerste proefdruk ontvangen van mijn nieuwe boek over de complexe maatschappelijke veranderingen waar wij voor staan en die ik middels “sustainocratie” tot een vernieuwende doorbraak tracht te brengen voor de mens en mensheid. Dat klinkt nogal hoogdravend want wie ben ik per slot van rekening om zoiets voor te stellen, laat staan vorm te geven?

Boven alles ben ik “een mens”, een zelfbewust wezen dat het resultaat is van miljoenen jaren evolutie en zelf aan het begin staat van het vervolg van deze menselijkheid door mijn eigen vaderschap. Ik ben mij bewust van mijn omgeving zoals deze door de natuur en de mens zelf wordt vormgegeven. Binnen dat laatste kan ik mij neerleggen wat anderen voor de mens beslissen of daar zelf een beeld bij vormen en verantwoordelijkheid nemen voor mijn keuzes. Dit boek, en alle handelingen van mij die eraan zijn voorafgegaan en nog zullen komen, zijn onderdeel van mijn bewustwording, de inzichten die ik gaandeweg heb ontwikkeld over menselijke organisaties en mijn eigen manier om verantwoordelijkheid te nemen voor de conclusies waartoe ik ben gekomen. Zoals Prof. Paul de Blot zo mooi aangeeft in zijn voorwoord in het boek “Dit boek gaat over menselijkheid in menselijke organisaties”.

Sustainocratie, de nieuwe democratie

Het boek gaat dan ook over de manier waarop wij invulling geven aan onze vrijheid (democratie) en de duurzame menselijke ontwikkeling (sustainability) door middel van onze keuzes, institutionele organisaties, ondernemerschap en on onderlinge samenwerking. Het boek stelt veel van onze huidige maatschappelijke complexiteit ter discussie, niet omdat het zo verkeerd is maar omdat we toe zijn aan een intense verandering. We lopen de kans dat, als we teveel vasthouden aan oplossingen uit het verleden, we onszelf in de grootst mogelijke moeilijkheden brengen voor de toekomst. In het boekje geef ik een beeld van de moeilijkheden waar we mee kampen als maatschappij, de oude machtsstructuren die het maar moeilijk vinden om los te laten, en de enorme daadkracht van de vele visionaire mensen die de transformatie aandurven die zich voor ons aftekent. En daarin zit de missie die ik mij eigen heb gemaakt, namelijk de tijd nemen om te experimenteren met inzichten om zo tot een concrete, praktische oplossing te komen die niet alleen idealistisch is  maar ook een realistisch draagvlak vormt voor zowel de individuele mens als de institutionele autoriteiten. Ondertussen wordt Sustainocratie reeds toegepast in AiREAS, The STIR Academy, EQoL, enz. Het bestaat dus waardoor het boekje een extra draagvlak krijgt.

Ondanks deze ogenschijnlijke “gouden greep” om veel menselijk leed te voorkomen en duurzame menselijke vooruitgang samen waar te maken, is Sustainocratie “een wereld op zijn kop” voor iedereen die eraan begint. Het is vooral een gigantische uitdaging waarin we allemaal een hoofdrol spelen, ongeacht leeftijd, oorsprong of functie.

Uitgever: MultiLibris – www.multilibris.nl

ISBN: 978 94 6000 0157

Auteur: Jean-Paul Close met voorwoord: Prof. Paul de Blot

Winkelprijs: onder de 20€

Huidig onderwijs leert niets

De leerprestaties van jongeren zijn onder de maat vindt de inspectie en het ministerie van onderwijs van Nederland. Men plaatst de verantwoordelijkheid van het leren bij de jongeren via een leerplicht maar vergeet daarbij dat leren zich uitsluitend voltrekt vanuit een maatschappelijk context. Als er geen hoger maatschappelijk doel wordt gesteld dan zal er door niemand, jongeren noch ouderen, een leerdoel worden bereikt. Waarom leren? Wat is het nut? Welke innerlijke motivatie spreekt men aan om te leren? Jongeren hebben sinds 1900 in Nederland een leerplicht maar Nederland heeft vooral een onderwijs plicht. In de huidige scholen vormt “onderwijs” een doel op zich aangestuurd door het beleid uit Den Haag waarbij de scholen beperkte vrijheden hebben om zich te ontwikkelen volgens een eventueel eigen maatschappij beeld. Men is afhankelijk van de middelen die per leerling worden toegekend en dient via diploma uitreiking aan een normering te voldoen. Welk verband er ligt tussen maatschappij en normering is veelal ver te zoeken en de leerling is een middel om de school in stand te houden.

In dit huidige onderwijs leert men niets.

Om “het leren” te begrijpen grijp ik even naar een vergelijking die we ook gebruiken voor het bedrijfsleven en de maatschappij zelf, namelijk die van de individuele vrijheid en sturing.

Onderwijs is geen doel op zich maar functioneel binnen een maatschappelijke context

In onze democratie gaan wij uit van grote individuele vrijheid. Maar we gaan er ook van uit dat wij een maatschappij draaiende houden waarin een hoge graad van gemeenschappelijk welzijn wordt genoten. Dat betekent dus ook dat onze vrijheid niet vrijblijvend is maar bij zou moeten dragen aan de inhoudelijk invulling van de maatschappij. Wat die kaders zijn dient maatschappelijk duidelijk te zijn. Dat is het niet. In een geldgedreven consumptie maatschappij is geld en consumeren misschien een maatschappelijk kader waar omheen een economie draait maar opvoedkundig verwachten wij natuurlijk veel meer van een maatschappij. Denk daarbij aan ethiek, sociale cohesie en duurzame vooruitgang. Deze essentiële parameters zijn niet meer aanwezig en als zodanig ook niet te vinden in een onderwijscultuur.

Bij het ontbreken van een hoger maatschappelijk kader dat de hebzucht van een geldgedreven maatschappij overstijgt met ethische normen (zoals sustainocratie de democratie nuanceert met duurzame menselijke vooruitgang) vervalt het onderwijs tot een gefragmenteerde, doelloze overdracht van kennis. Als de leerprestaties van de jongeren dan onder de maat zijn dan duidt dat niet op de jongeren maar op de leeromgeving. De scholen, ouders en de overheid dienen dan vooral bij zichzelf te raden te gaan.

De jeugd is perfect in staat gebleken om van alles te leren binnen de mogelijkheden van hun open vrijheden en vanuit een intrinsieke, ongestuurde motivatie. Denk daarbij aan social media, elektronica en de vele prikkels die een consumptie gerichte maatschappij hen opdringt. Die prikkels raken het eigenbelang zoals Mitra zo mooi vertelt in zijn  toespraak over “The hole the wall”, een experiment in India waarin ongeletterde straatkinderen geconfronteerd werden met een gat in de muur en een computer. De natuurlijke nieuwsgierigheid, de open onderlinge communicatie en concurrentie, samen met de vele dingen die ze met het apparaat konden ontdekken leidde tot verrassende resultaten. Binnen 6 maanden beheersten honderden jongeren vele Engelstalige computerwoorden, wisten ze hoe het apparaat en de software werkte en konden ze aangeven welke verbeteringen erop toegepast konden worden. De onderlinge stimulans zorgde voor een zelflerend proces dat zijn weerga niet kent in de moderne onderwijswereld.

Onze huidige maatschappij is voor de meeste jongeren een gat in de muur waarmee men experimenteert zonder toezicht noch concreet doel. De stimulans die zij krijgen horen bij de normale opgroeiende, zoekende jeugd die is omringd door een cultuur van koopkracht (hebben). Binnen die cultuur spelen ouders de rol van financier en de overheid die van lastpost. Het zwarte gat van de maatschappij waarin de jongeren met hun ongenuanceerde vrijheden experimenteren en elkaar uitdagen tot uitersten vormt een schril contrast met het huidige onderwijs. Dit probeert normen en waarden op te leggen vanuit “verplichtingen” om zodoende enig overwicht te behouden op deze jeugd. Via de leerplicht worden de jongeren geacht om op een bepaalde tijd op school te zijn en na een aantal uren weer weg te gaan. Op de vraag waarom ze naar school gaan wordt geantwoord “omdat het moet”.

Het huidige onderwijs is vooral gefocust op het overdragen van rationele, cognitieve vaardigheden, zoals rekenen, taal en andere tastbaarheden. Naar mate de jongeren ouder worden wordt in het onderwijs van ze verwacht dat ze een vak leren. Wat de overheid vergeet is dat rationaliseren van informatie pas pakkend beklijft in de bewustwording van de jongeren als zij het verwerken middels emotionele en lichamelijke ervaringen. De hele dag in een schoolbank zitten is geen stimulans. Het uit het hoofd leren en automatiseren van de tafeltjes of het leren van de provincies en hoofdsteden van Nederland heeft pas blijvend invloed als het zich verbindt aan de belevingswereld van de jeugd.

Als de jeugd zich niet binnen een grotere maatschappelijke context weet te plaatsen richt zij haar eigen ontwikkeling op de vergelijking met leeftijdgenoten en niet die van een persoonlijke, volwassen toekomst en verantwoordelijkheid. Daarvoor is een referentiekader nodig met de volwassen werkelijkheid.  Onderwijzen gaat niet over het pure cognitieve leerproces maar de bewustwording van zichzelf in een maatschappelijke context. Dat vergt iets anders van het onderwijs dan het afvinken van aanwezigheid lijstjes en het plaatsen van gedragskruisjes bij elke afwijking van de algemene norm. Elk kind is anders, heeft een geheel eigen belevingswereld die positief kan worden beïnvloed door het kind te betrekken bij een hoger doel. Maar dan moet dat hoger doel wél bestaan.

Een kind, een puber of een jong volwassene kan uitstekend zelfstandig leren, uitgedaagd worden, allerlei informatiebronnen verwerken en uiteindelijk uiten in zeer diverse vormen van wijsheden die ontstaan. Alles bepalend is uiteindelijk de cultureel, maatschappelijke omgeving waarin het leerproces wordt gestimuleerd. Als de prikkels gaan over de laatste mode, meer geld hebben dan de ander, al dan niet verantwoordelijkheid nemen, angst of durven, wat heb ik en hoe zie ik er uit, dan zullen de jongeren die prikkels gebruiken in hun reactieproces. Reflectie gebeurd bij jongeren nog sterk op basis van het “eerst doen, daarna leren”, al experimenterend met het leven in de onbevangenheid van de beveiligde creativiteit. Onbevangen omdat zij zelf kunnen experimenteren en beveiligd omdat zij nog worden omringd door ouders en school die verantwoordelijkheid nemen voor de maatschappelijke inhoud en veiligheid in de ontwikkeling van de onschuld. Reflectie is essentieel maar dient plaats vinden binnen aanvaardbaar nut en kaders die de jongeren kunnen begrijpen.

Het huidige systeem van verplichten, straffen, examineren, normeren en reguleren toont uitsluitend de machteloze beperking van het onderwijssysteem als eenzijdig instrument dat haar verbinding is kwijtgeraakt met het grotere geheel. Natuurlijk passen de jongeren daar niet in omdat zij zelf een holistisch menselijk bestaan en ontwikkeling leiden die niet te minimaliseren valt.

Door onderwijs te ommuren en af te zonderen van de maatschappelijke context mist men de voorbeeldfunctie die de jongeren nodig hebben om  te reflecteren over de theoretische werkelijkheid die hen wordt verkocht als gedragsnorm. Vertrouwen, gelijkwaardigheid, respect, veiligheid, gezondheid, kennis zijn thema’s die genoemd worden in de boeken maar in de omgeving structureel worden verkwanseld. Het gezinsleven bestaat amper, jongeren groeien op van opvang tot opvang, binnen gescheiden ouder situaties, los van familiaire relaties en veelal met allerlei gedragsstempeltjes vanuit de overheid. De norm is utopisch beperkend en de afwijking wordt de norm. Het zijn niet de jongeren die niet voldoen maar hun verplichte leeromgeving waarin ze verplicht worden te doen waar ze geen enkel nut in zien.

Een hoger doel heeft te maken met gezondheid, welzijn, sociale cohesie, onderlinge relatie, zelfkennis en de kennis van de ander, veiligheid, samenwerking, visie, verantwoordelijkheid nemen, een maatschappelijke richting (duurzame menselijke vooruitgang) en alle daaraan gerelateerde kennisbehoeften. Er dient een verbintenis te zijn tussen de unieke persoon en de omgeving die zich samen ontwikkelen volgens een bepaalde natuurlijke, dynamische, evolutionaire code waar de jeugd haar eigenheid op creatieve manier in kwijt kan om de eigen toegevoegde waarde te ontdekken. In een jagersstam zien de jongeren de ouderen op jacht gaan en kijken er naar uit om een keer mee te mogen. Bij een timmerman zal de zoon of dochter geneigd zijn de hamer een keer te pakken en iets te knutselen. Maar als de ouders ’s morgens van huis gaan en ’s avonds thuis komen is er amper interactie en geen enkel volwassen voorbeeld. Ook in de wijken zijn er geen functionele prikkels die de jongeren aanzetten tot het nemen van verantwoordelijkheden.

Kortom, in een maatschappij zonder hoger doel zijn er geen emotionele prikkels die leiden tot een intrinsieke motivatie van de jongeren om iets te leren. Als de school daar ook nog eens negatieve prikkels tegenover zet door een bureaucratische, gefragmenteerde werkwijze, zonder verband tussen reflectieve cognitie en jeugdige emoties met een welhaast militaristische afrekening van aanwezigheid en gedrag, dan ontstaat er een generatie die meer leert op straat dan op school. En dat mag niet de bedoeling zijn.

We zijn toe aan een sustainocratische transformatie van het onderwijs door het weer een structurele, functioneel inhoudelijke pilaar van de maken van duurzame menselijke vooruitgang. Onderwijs is geen gefragmenteerd doel op zich maar stelt de mens centraal in haar duurzame ontwikkeling.

Het onderwijs is dienstbaar aan de menselijke vooruitgang

Reactie op noodbrief Jan Rotmans

Op 8 oktober stuurt Jan Rotmans een brief “Samen uit de crisis” naar de heren Rutte en Samson die in onderhandeling zijn om een coalitie te vormen voor de (on)regeerbaarheid van Nederland de komende 2 a 4 jaar. De brief is een op het eerste gezicht bewonderenswaardig open intentie om aandacht en verantwoordelijkheid te vragen voor duurzaamheid in Nederland. Allerlei bekende namen uit de institutionele wereld van bedrijven en wetenschap zijn er aan toegevoegd.

Als men echter wat beter kijkt dan lost de brief helemaal niets op, is het een weeklacht van institutioneel eigenbelang in crisis en draaien de aangedraagde oplossingen uitsluitend om een aangepaste vorm van productiviteit en een focus op energieneutraliteit. Dit laatste is ook al de gemakkelijke lobby van Urgenda (Jan Rotmans) dat door “onafhankelijke media in crisis” als VPRO Tegenlicht is opgepikt omdat het vanuit een paniekscenario de onbewuste bevolking raakt met argumenten over huishoudkosten, olievoorraden en klimaatvervuiling – tenzij men daken volstouwt met zonnepanelen via Urgenda. Ondertussen dendert de crisis lekker door, wordt de armoede alleen maar groter in Nederland en draait Rotmans gezellig met zijn clubje om de werkelijkheid heen.

Er zijn twee dingen die opvallen aan de brief van Rotmans:

1. Waar is de mens?

Het gaat in de brief alleen om externe zaken, zoals energie, bouwen, enz.

Dat zijn thema’s die zwaar ge-economiseerd zijn. Deze vergroenen is natuurlijk prima maar in een geldgedreven wereld zal altijd geld en niet groen de prioriteit krijgen. De Haagse overheid stuurt niet op landsbelang maar “noodgedwongen” op rijksbegroting en daarin zit geen enkele emotionele drijfveer, alleen incassodrang. Subsidies in vergroening leveren in principe geen extra belastinginkomsten op, alleen onkosten. Den Haag heeft andere prioriteiten, zoals export, koopkracht en werkgelegenheid (allemaal belastbaar).

Voorbeeld: Stad van Morgen was gestart in Eindhoven met een coöperatie van “kwaliteit van het leven” waarin energiezelfvoorziening door de mens zelf opgebracht wordt en winst teruggeïnvesteerd in woningverbetering. Den Haag belde om het af te blazen omdat het project niet om geld ging maar leefbaarheid en daarom “niet belastbaar” was. Stad van Morgen ging door maar verloor de ondersteuning van andere institutionele partijen die uit angst voor hun Haagse geldafhankelijkheid zich terug trokken uit het initiatief.

In de brief wordt de factor “mens” in zijn geheel niet genoemd. Toch draait verduurzaming over de continuiteit en inhoudelijk waarde van onze maatschappij, niet van onze economie, zelfs niet in eerste instantie om energie, hoe urgent het ook is om onafhankelijk te worden van olie en gas. Maar dan gaat het over hele andere zaken dan alleen de huishoudens.

Duurzaamheid gaat om de mens niet het geld. De mens eerst, dan samenwerken aan welzijn en dan pas kijken hoe we waarde eventueel vertalen naar waardesystemen. Rotmans redeneert uitsluitend vanuit geld en systemen terwijl de aanhef van zijn brief daar juist afstand van zou willen nemen.

2. Zelf verantwoordelijkheid nemen?

De brief is een open vraag voor aandacht bij het (toekomstige) kabinet voor verduurzaming, een soort toestemming om iets te doen, een vingerwijzen om verantwoordelijkheid te nemen. Waar haalt Rotmans die vraag vandaan? In het hele electorale programma is dit niet aan de orde geweest omdat alle politieke partijen die de media wisten te halen de prioriteiten anders hebben gelegd. Dat komt omdat de politiek verantwoordelijkheid wil nemen voor het verleden, want dat is electoraal te verkopen, de huidige crisis en groeiende chaos in de toekomst kun je aan de straatstenen niet kwijt. Die krijg je dus ook niet in een coalitie-akkoord waar rechts meer wegen wil voor distributie van goederen en mensen, en links meer oude geldelijke zekerheden zoals pensioenen en uitkeringen. Beide zijn alleen te verenigen als ze akkoord gaan met verder speculeren met geld. En dat is precies waarom Den Haag geen vergroening op de agenda heeft staan en de brief rechtstreeks in de prullebak gooit.

Waar het echter om gaat is dat wij als maatschappij zelf verantwoordelijkheid nemen. En dat vraagt Rotmans niet.

Het bedrijfsleven vergroent uit eigenbelang niet gemeenschapsbelang en daar hoeft dus ook geen subsidie aan verleend te worden. Waar het bedrijfsleven goed aan zou doen is om haar positionering aan te passen van volume productiviteit en geldgedrevenheid naar werkelijke toegevoegde maatschappelijke waarde door toegepaste innovatie. Iets waar we met veel moeite stappen in maken bij de Stad van Morgen juist omdat je duurzaamheid niet koopt of verkoopt maar samen creert, óók met het bedrijfsleven! Delen van het bedrijfsleven beginnen dat te snappen maar zijn nog erg gebonden aan aandeelhouders die de dienst uitmaken in plaats van echt vernieuwend ondernemerschap. Het multinationale bedrijfsleven wil intern de transitie misschien aangaan maar moet dat doen met behoud van korte termijn omzet en winst. Dat laatste is onmogelijk want in de werkelijke verduurzaming zullen de verhoudingen tussen omzet, winst en verantwoordelijkheden juist heel anders eruit gaan zien. De crisissen zullen daarom de meeste grote bedrijven in en onderuit halen voordat het bewustzijn van de transformatie hen heeft doen veranderen. Nu overleeft men nog bij gratie van enkele groeigebieden in de wereld, maar dat is voor korte duur. China toont ook al scheuren. Overleven is niets anders dan op kosten van subsidies transformeren in een wereldbeeld dat nog steeds geld en niet verantwoordelijkheid nastreeft. Maar wie spreekt de ondernemingen aan op hun verantwoordelijkheid. Zeker als men niet eens weet wat verantwoordelijkheid is in een tijd dat wereldbeelden ter discussie staan en ethiek nog onderaan in de lijst van strategische overwegingen staat?

Het wetenschappelijk onderwijs heeft vooralsnog geweigerd om nieuwe paradigmas, die haaks op die van kapitalistische geldstructuren staan, te aanvaarden in het academische lesprogramma. Stad van Morgen vraagt al jaren “welke verantwoordelijkheid nemen jullie? Het in stand houden van een geldgedreven (Amerikaans) paradigma via een gemanipuleerd leeraanbod? Of het ontwikkelen van een objectieve, open wetenschappelijke benadering rond verschillende maatschappijvormen en de keuze aan de leerling laten?”.  Uitzonderingen op hoogleraarniveau daargelaten, die op persoonlijke titel wél verantwoordelijkheid willen nemen, geven de institutionele universiteiten geen antwoord en blinken uit door gebrek aan verandering. Niets doen lijkt “veiliger” dan wetenschappelijk kleur bekennen.

Dat komt o.a. door de afhankelijkheid van de academische wereld van de bereidheid van het bedrijfsleven en de overheid om als hoogstbiedenden de dure MBa, Phd’s enz af te nemen. Men is in de academische wereld net zo geldgedreven en afhankelijk geworden als bij de overheid en het bedrijfsleven. Wetenschappelijke onderzoeken die dit gedrag structureel ter discussie stellen vinden weinig ondersteunend support om tot een promotie te komen. Iedereen in deze is institutioneel risicomijdend. Nieuwetijdse intellectuelen breken niet door met een titel achter of voor hun naam, maar zij leveren wel degelijk de vernieuwende inzichten die door het materialisme niet worden erkend.

De vraag is straks welk waardeoordeel aan een titel van deze instellingen verbonden wordt. In een tijd van paradigma verandering zou dat wel een heel verrassend uit kunnen pakken.

Dit is zo ingeworteld gebleken dat de Stad van Morgen haar eigen academie voor toegepast hoger bewustzijn heeft opgezet voor gratis onderwijs (dus niet geld maar waardegedreven) verbonden aan sustainocratische processen. Uiteindelijk zullen wij ook mensen gaan promoveren onder onze eigen vlag waarbij juist het gebrek aan erkenning van de gevestigde orde tot de kwaliteit van de promotie gaat behoren. Dat hoort bij een transformatie. Men neemt afstand van iets dat onhoudbaar is, moreel, ethisch en praktisch intellectueel.

Conclusie

Brieven schrijven aan Den Haag om toestemming en geld te vragen voor eenzijdige schijnoplossingen met een manipulerende titel “samen uit de crisis” is net zo onduurzaam als immoreel. Den Haag kan eenzijdig niets oplossen behalve veel belastinggeld innen en stoppen in gesubsidieerde innovaties maar dat geld is er niet. Belastinginkomsten zitten vastgespijkert in bureaucratie en oude geldgedreven opvattingen zoals het dicht blijven plakken van een lekgeslagen economische luchtballon. Daarnaast is het onmogelijk dat de exponentiele groei van de miljoenennota opgebracht kan worden door een noodlijdende maatschappij die zelf geldafhankelijk is. Den Haag is economisch, maatschappelijk en moreel failliet maar wil dat (nog) niet erkennen. Het is geen verwijt aan Rotmans dat hij zo’n brief schrijft. Zijn gezichtsveld is ook maar beperkt door het wereldje waarin hij verkeert. Hij vertegenwoordigt dan moedig de oude wereld van eigenbelang.

We zullen het zelf moeten doen, niet de overheid.

We moeten daarnaast de overheid helpen haar zaakje op orde te krijgen, iets wat ze zelf niet kan puur door de manier waarop ze is gestructureerd. Volgens eigen Haagse onderzoeken is gebleken dat de Haagse werkelijkheid en die van de maatschappij al decennia lang uit elkaar zijn gegroeid en eigenlijk het land onregeerbaar maakt. Dat Den Haag zich profileert als een groot incassobureau is de macht van de onmacht.

Als wij een duurzame maatschappij willen dan zal de mens weer centraal moeten komen te staan. Deze mens zal dan zelf ook verantwoordelijkheid moeten gaan nemen. Het enige wat wij Den Haag kunnen en moeten vragen is om dit niet in de weg te staan want dat zou historisch verwijtbaar zijn op ethisch vlak. Een nieuwe maatschappij wordt parallel geboren aan de oude, met toepassing van de leerweg die we met elkaar hebben doorlopen de laatste eeuwen. Op termijn zal het de oude achter zich laten, niet omdat deze weggeconcurreerd wordt maar omdat deze in haar eigen crisissen wegkwijnt of onderweg overstapt op werkelijke vernieuwing. Overheden, onderwijsinstellingen, bedrijven die de transitie aan willen gaan kunnen het voortouw nemen, zoals velen dat ook doen door bijvoorbeeld experimenteel samen te gaan werken in sustainocratie met alle consequenties van een transformatie. Dan verbinden zij zich aan de mens, niet andersom.

Huidige maatschappij zit nog steeds in de ontkennende fase terwijl de chaos zich opbouwt

Om tot verandering te komen is maatschappelijke moed nodig om de angst te overwinnen van het verdwijnen van oude (geld) zekerheden. Die angst kan pas overwonnen worden als men bereid is het oude paradigma los te gaan laten. Crisis is daarbij een hulpmiddel. Brieven zoals die van Rotmans zijn dan ook een wanhopige kreet om het oude in een nieuw jasje te steken maar lossen niets op omdat hun oude zekerheden weggevallen zijn. De brief creert wel openingen voor dit dit soort reacties, en dat is natuurlijk ook al heel wat.

Ondertussen bouwen we gewoon door met de mensen (ook institutioneel actief) die het wél inzien.

Nederlandse economie is verrot

Geld heeft geen kleur, geur, noch smaak. Wanneer je geld hebt dan kun je er allemaal leuke dingen mee doen. Vanuit dat algemene perspectief staan we zelden stil bij het concept “geld” behalve dat we er voldoende van willen hebben om aan onze dagelijkse behoeften te kunnen voldoen én een beetje meer. Hoe we met geld om gaan heet “economie” en er zijn goede en slechte versies. En dat heeft helemaal niets met veel of weinig geld, groei of krimpt te maken. Het verwijst naar de cultuur van al of geen waardecreatie.

Waardecreatie 
Een cultuur van waardecreatie heeft niet perse geld nodig want geld zelf heeft geen waarde. Het is hooguit een catalysator om waarde te kunnen creëren. In de oorsprong van het industriële tijdperk werd volop waarde gecreëerd omdat de fabriekjes dingen produceerden die mensen echt konden gebruiken. Stoelen, tafels, kasten, fietsen, enz. Gebruiksartikelen die het dagelijks bestaan gemakkelijker maakten werden gefabriceerd. Geld had een tegenwaarde in goud en vertegenwoordigde een voorraadje arbeid. Iemand ging ambachtelijk werken en kreeg daarvoor in ruil geld. Daarmee kocht men spullen die men zelf gemaakt had tijdens het werk en zo circuleerde het geld weer gewoon terug. Dat noemen we een kringloop-economie, een economie waarin geld een proces mogelijk maakt waarin waarde wordt gecreerd en het geld weer vrijkomt voor hetgebruik in waardecreatie. Als het om een stoel gaat is die waarde “kunnen zitten” of “kunnen uitrusten”” . “Fietsen” of “zich sneller dan lopen van A naar B kunnen verplaatsen” als het om een fiets gaat, of “eten” als het om dagelijkse voeding gaat. Lokaal bedient lokaal door te werken aan het vervaardigen van de behoeften en dit onderling te betalen wegens die behoeften. Geld komt onveranderd uit dit proces en wat er overblijft is een concrete meerwaarde die voorheen niet bestond, of die hernieuwd diende te worden.

Om die meerwaarde te creëren diende men creatief te ondernemen, ambachtelijk te werken en samen initiatieven te nemen.

Geld heeft zelf dus hier geen waarde maar stelt in staat om toegevoegde waarde te creëren. Dat is de goede economie. De deelnemers verdelen de toegevoegde waarde onderling al naar gelang de inzet in het proces en talent om het mogelijk te maken (in sustainocratie noemen we dit “buddinomics” om een onderscheid te kunnen maken met “economics”).

Waarde consumeren
Een andere vorm van economie is die van waardeconsumptie. Dat is een economie waarin geld nodig is om de gebruiksartikelen te mogen kopen en gebruiken, consumeren. Om zo’n economie stabiel te houden dient waardecreatie sterk afgestemd te zijn met waardeconsumptie want anders zouden er overschotten of tekorten ontstaan, ook in geld. Dat zou weer een hapering in het circuleren van het geld veroorzaken met problemen als gevolg. Dat is een moeilijk maatschappelijk proces. Als er bijvoorbeeld teveel stoelen worden gemaakt die dan niet afgenomen worden in de lokale geldgebaseerde kringloop dan is er meer geld in omloop door de gedane arbeid maar dit vloeit niet terug doordat men geen stoelen meer nodig heeft. Het stoelenbedrijf dreigt dan in de problemen te komen. Deze zoekt nieuwe afzetmarkten voor het overschot, om de uitbetaalde arbeid terug te verdienen en weer terug te investeren in een nieuwe cyclus. Men gaat dus op zoek naar nieuwe markten. In de nieuwe markten zit geen kringloop economie omdat de arbeid die gedaan wordt om de stoelen te maken elders wordt gedaan dan waar het verkocht wordt. Geld om de stoelen te kopen vloeit dus weg uit het gebied naar het gebied van de fabriek. Het geld kan dus niet lokaal meer worden hergebruikt in een nieuwe cyclus. En bij de fabriek ontstaat een nieuwe kringloop waar meer geld nodig is voor lokale arbeid voor overproductie. Er is dus overal een onbalans.

Dat gaat misschien even goed zolang er niet teveel andere gelijkwaardige bedrijven op het pad komen. Want dan begint concurrentie dat dwingt tot waardevermindering of het creëren van een onderscheidend vermogen via “het anders zijn en blijven”. De zuigkracht van kapitaal naar de plek van waardecreatie maakt de fabriek afhankelijk van de “markt” waar het niet wederkerig mee omgaat met arbeid. Er ontstaat een onbelans in de kringloop die de kringloop kwetsbaar maakt voor alle betrokken partijen. De “economie” wordt aangetast zowel aan de kant van consumeren als aan de kant van produceren. Als “wereldeconomie” zou dit goed kunnen komen als er een wereldse kringloop zou zijn maar die is er (nog) niet. We praten over een globale consumptie-economie maar niet een globale waarde-creatie economie.

Als er daarentegen tekorten ontstaan in een consumptie economie door te kleinschalige productie en een te grote vraag dan gaan er weer andere krachten werken. De prijs kan dan omhoog gedreven worden of men investeert om meer te kunnen gaan produceren voor de vraag. Er is dus meer geld nodig om te kunnen groeien. Als deze groei is afgestemd op de juiste vraag dan komt dat extra geld gewoon weer terug en is er geen enkel probleem. Wel natuurlijk als over dit extra geld rente betaald moet worden want dat gaat ten kosten van het ingelegde geld. Er vindt waardecreatie plaats maar ook waardeonttrekking (rente) via het geld.

Als geld geen catalysator meer is maar een doel op zich voor partijen via rente of winst op geld, dan kan dat alleen door waarde te onttrekken aan het uiteindelijke waardecreatieproces.

Er is nog een manier om geld te laten groeien en dat is door speculatie. Door kapitaalgoederen (goud, zilver, huizen, autos, ed.) schaars te houden stijgt de waarde van het object in een consumptie-economie. Het geld dat de waarde bepaalt van het object wordt niet meer afgestemd op de arbeid die erin wordt gestopt maar de wens die men heeft om het object te hebben. Zo ontstaat de hebzucht in een consumenten economie. De economie groeit maar de waarde vermindert.

In feite verrot de economie van binnen uit, niet alleen door structurele waardeontrekking uit de omgeving en onze toekomst maar ook door de blinde mentaliteit van “het vermeende recht tot consumeren” zonder wederkerigheid van onszelf.

De verrotte Nederlandse economie
In de Nederlandse economie, net als die van de meeste landen van de wereld tegenwoordig, speelt het bovenstaande op gigantisch niveau. Nederland is afhankelijk van de rest van de wereld voor haar economische stabiliteit door groei die gebaseerd is op twee pilaren: speculatie en consumptie. Op twee fronten wordt dus structureel waarde onttrokken aan de maatschappij. Paradoxaal stijgt de hoeveelheid geld die in omloop wordt gebracht om beide pilaren in stand te houden. Het is allemaal een hypthecaire schuld op de toekomst om ons huidige consumptieniveau op peil te houden omdat de economie daarop is gebaseerd, juist om de consequenties ervan te kunnen financieren. Om effectief te kunnen consumeren moet de infrastructuur worden aangepast voor goederen en personen vervoer. Er moeten winkelcentra beschikbaar zijn die het gemakkelijk maken om te kunnen consumeren en de voorraden van beschikbare materialen moeten overvloedig aanwezig zijn om de consumptie optimaal te laten verlopen. Onze betrokkenheid in de economie is via werkzaamheden aan de infrastructuur en de distributie van de goederen. De enige “toegevoegde waarde” is die van het in stand houden van de etalage voor de consument. De mens is verworden tot een gebruikersmachine die geld verslind om goederen te verslinden. De goederen voor consumptie worden amper meer lokaal gemaakt noch van waarde voorzien maar komen overal vandaan. Vandaar dat geld structureel wegvloeit uit Nederland naar andere gebieden of blijft hangen in het speculatieve distributiesysteem.

Overconsumptie leidt uiteindelijk tot het uitdrogen van de aarde, de vervuiling van ons nest, de opkomst van de vele consumptieziekten (psychische hebzucht klachten, gezondheidproblemen, onderlinge problemen, enz), klimaatverandering, de verloedering van jaloerse onderlinge menselijke relaties, enz. We zien een stijging van criminaliteit, ongezondheid, armoede, vervuiling alom en tegelijkertijd een stijging in inflatie, economische groei en groei in de algemene geldelijke schulden van de individu en de omgeving. De economie is verrot en de maatschappelijke mentaliteit ook. Er wordt geen waarde meer toegevoegd aan de maatschappij door onszelf en wij hebben het structureel onttrokken door onszelf te verzieken op alle fronten.

Het geld is precies hetzelfde, of het nu uit een kringloop economie komt waar het geen waarde heeft maar bijdraagt aan waardecreatie, of in een consumptie-economie waar het bijdraagt aan algehele vernietiging. Het gaat niet om het geld zelf maar de manier waarop wij ermee omgaan, het belang dat wij eraan hechten en de waarden die wij onderling al dan niet verdelen. De huidige manier in Nederland is verziekt. Wat nu?

Rotte economie herstellen?
Van een goede naar een slechte economie verhuizen is gemakkelijk. Men hoeft het geld maar te koppeken aan consumeren in plaats van het creëren van waarde. Dan is het kwaad geschiedt (gebeurde in de jaren 70) en stuurt men op de onverzadigbare hebzucht van de mens met alle gevolgen van dien. Uiteindelijk leidt dit tot gigantische crisissen, niet alleen economisch maar vooral ook psychisch en maatschappelijk. Die werkelijkheid zien wij overal om ons heen.

Van een verrotte economie naar een gezonde verhuizen is nagenoeg onmogelijk omdat men de mentaliteit van de bevoking én de aan hebzucht verbonden maatschappelijk organisatie volledig moet omdraaien. Dat wil zeggen dat wij weer om moeten leren gaan met directe waardecreatie, zelfvoorziening en persoonlijke inzet en verdeling van waarde. Dat betekent dat de bevolking, die generaties lang omringd is geweest met een feestwinkel van consumptieartikelen ineens moet kijken wat men er zelf nog van kan maken in een duidelijke wederkerige relatie met haar (natuurlijke) omgeving? Niet veel waarschijnlijk omdat we dat niet meer gewend zijn en ook in gedrag niet voor worden opgevoed. Men heeft twee linkerhanden ontwikkeld en een grote broekzak. Daarnaast zijn alle consequenties van de hebzuchtperiode zo groot dat er veel middelen nodig zijn om er iets tegen te kunnen doen. Die middelen worden nu nog uitgedrukt in geld. En dat geld moet uit de belastingen van een consumerende bevolking komen. Eigenlijk moet het komen vanuit inzicht en inzet van de bevolking zelf maar dan staat er geen geld meer tegenover maar gezondheid, de reparatie van een ongezonde maatschappij en zware arbeid vanuit inzicht. En daar zijn wij niet meer toe bereid.

Dat werk gaat generaties lange inzet kosten. De natuur lost dit soort situaties veel handiger op door ons onszelf te helpen vernietigen. Dat is de werkelijke hypotheek die wij op inze toekomst hebben gelegd, namelijk de dood van onze kinderen en kleinkinderen die wij elke kans hebben ontnomen door hen een mentaliteit over te dragen in een vervuilde omgeving die alleen maar leidt tot dood en verderf. Dat is de consequentie van onze hebzucht maar omdat deze verblindt binnen de rotheid van de economie en ons eigenbelang zal het ons over het algemeen een rotzorg wezen. Wie dan leeft, wie dan zorgt.

De enigen die verantwoordelijkheid kunnen nemen zijn wijzelf, de volwassen generatie en via onderwijs en opvoeding ook naar de toekomstige generaties.

Sustainocratie is een voorbeeld van een oplossing in een complexe, geinstitutionaliseerde maatschappij. Waardecreatie staat dan voorop en kan snel worden waargemaakt én Nederland zelfs op de wereldkaart zetten als gebied waar voor het eerst echt verantwoordelijkheid werd genomen.

“Dankjewel papa en mama” kan dan uiteindelijk in de toekomst verschillende betekenissen hebben in de ondertoon. Wij bepalen welke.

Wat is dan “sustainocratie”?

Sustainocratie bestaat uit “sustainability” en “democracy”. Het betekent zoveel als “duurzame menselijke vooruitgang op een democratische manier”. Dat verschilt niet zoveel van een normale democratie zou je misschien zeggen maar dat doet het wel. Hier treft u een korte uitleg (10 minuten op YouTube) van mij tijdens een wandeling in 2012 op verzoek van Nicolette Meeder.

Wat is duurzame vooruitgamg?

Het grote verschil is juist dat het maatschappij-doel vast staat, namelijk: duurzame menselijke vooruitgang. De democratische discussie, de vrijheid van meningsuiting en handelen vanuit verantwoordelijkheden is dan volledig gericht op dat hogere doel.

Dat is leuk en aardig en zal ook iedereen wel begrijpen maar in de Stad van Morgen zaten we nog met één groot probleem. Wat verstaan we onder woorden als duurzaamheid, duurzame vooruitgang en duurzame menselijke vooruitgang? Er zijn veel definities in omloop maar geen enkele gaf ons voldoende handvatten om er dagelijks verantwoordelijkheid voor te nemen, als instelling noch als individu. Ook als ik vroeg in een congres “wat verstaat u onder duurzaamheid?” dan was het antwoord altijd iets tastbaars op gebied van energie, fair trade, gezond eten, enz maar niemand keek naar een breder evolutionair menselijk perspectief, onze levensstijl of de kijk op de wereld die wij hanteren en waarop wij onze dagelijkse verantwoordelijkheden afstemmen. Wij hadden een definitie nodig die ons kon helpen om verantwoordelijkheid te nemen voor de mens zelf.

Definitie van “duurzame menselijke vooruitgang”

 Samen blijven werken aan een gezonde, vitale, veilige, vooruitstrevend zelfredzame menselijke maatschappij, binnen de context van onze aldoor veranderende natuurlijke omgeving.

Deze definitie is van een hele andere orde dan de manier waarop onze maatschappij vandaag de dag democratisch is ingericht rondom geldgedreven eigenbelang  zonder verwijzing naar concrete verantwoordelijkheden voor de mens zelf, laat staan de relatie die wij hebben met van onze omgeving. We zien de dingen die we willen hebben als externe zekerheden waarmee we ons omringen. We debatteren heel democratisch over het in stand houden van deze zekerheden die we ooit verworven hebben en stemmen op politieke partijen die daar allerlei beloftes over doen maar ondertussen dragen wij onbewust bij aan de aftakeling van onze omgeving en onszelf. Straks is er geen democratische keuze meer mogelijk omdat onze heb- en heerszucht roofbouw heeft gepleegd op onszelf en de natuur. Vaak gaat dat zonder dat we er veel van merken omdat we omringd zijn door allerlei geruststellende geluiden van overheden en instellingen die ons proberen aan te tonen dat het wel goed zit. Dat is natuurlijk niet zo.

Co-creatie

Als we het BAGE proces doormaken dan worden we er ons bewust van en zien we ook hoe we veelal door die belangenpartijen gemanipuleerd worden, inclusief het rechtsysteen. We noemen dit “het systeem” dat we hebben opgebouwd met elkaar en waarin we een gelukkig leven hebben geleid. Daar is de moderne democratie ook voor bedoeld. Dat kan nog altijd, zeker gezien de technologische en wetenschappelijke ontwikkelingen die we hebben doorgemaakt, maar dan moeten we ons de definitie van duurzame menselijke vooruitgang eigen gaan maken. Dat blijkt toch vaak moeilijker dan we denken.

De begrippen gezondheid, veiligheid, vitaliteit zijn niet te waarborgen uitsluitend met geld. Het zijn begrippen die gefundeerd zijn op ethiek terwijl een systeem van regels en wetten niet strikt gebaseerd is op morele zingeving, hooguit straffen van immorele of onethisch gedrag volgens een normering binnen het systeem.  We zien dat deze begrippen noodzakelijkerwijs gepaard gaan met de ontwikkeling van ons bewustzijn rondom de manier waarop wij met onszelf en elkaar omgaan. We zien dan ook hoe we onze omgeving vervuilen en daarbij ook onze eigen gezondheid en vooruitstrevendheid. Het is niet moeilijk in te zien dat als een “gezonde leefomgeving” de maatschappelijke norm zou moeten zijn er een heleboel zou moeten gaan veranderen in de maatschappij, in onze eigen levensstijl maar ook de hele maatschappelijke organisatie, tot aan de grondwet toe.

We willen dan al snel de opgebouwde structuur van onze maatschappij als vaststaand feit aanvaarden en oplossingen trachten te zoeken binnen de gestelde kaders. Maar ook de geschiedenis toont dat af en toe die blinde toevlucht tot oude kaders juist leidt tot de instorting van het systeem. Sustainocratie schept op eenvoudige wijze een alternatief dat zich voor uiterst concrete belangen van harmonie, balans en stabiliteit bedient van de bestaande pilaren van de huidige maatschappij maar in een andere co-creatieve verhouding met elkaar. Heb en heerszucht zullen wij nooit elimineren uit de menselijke natuur maar kunnen het wel ondergeschikt maken aan vrede en vooruitgang.

Door de mens centraal te stellen staat meteen de maatschappij ter discussie die decennia, bijna eeuwen lang, rondom geld heeft gedraaid en zich heeft ontwikkeld. De verschillen tussen maatschappijbeelden, mens of geld centraal, zijn in deze tekening ondergebracht.

Image
Sustainocratie positioneert zich met welzijn boven hebzucht zonder hebzucht ter discussie te stellen

Sustainocratie laat een maatschappij niet cyclisch meer vervallen in chaos zoals dat in het verleden gebeurde met oorlogen, recessies en depressies. Door de maatschappelijke context te verleggen naar welzijn kan hebzucht een ondergeschikt belang zijn dat aan banden wordt gelegd ten behoeve van duurzame menselijke vooruitgang. Een sustainocratie zet daarom geen streep door onze menselijke evolutie maar vult het aan met wat we over de eeuwen heen geleerd hebben. Het is een aanpak die de mens centraal stelt rondom een structuur van hoger bewustzijn waarin macht en autoriteit erkend blijft maar wel als toegevoegde waarde voor de mens en natuur en niet ten kosten van. Iedereen wordt uitgenodigd om daar mede verantwoordelijkheid voor te nemen en deel uit te gaan maken van Sustainocratie. Het is een persoonlijke keuze op basis van ethiek, verantwoordelijkheid en zelfbewustzijn.  Het nieuwe leiderschap, dat bent u zelf.

De Sustainocratie ziet er dan zo uit:

Sustainocratie is een tagel met fysieke mensen die autoriteit toevoegen an co-creatie voor menselijk belang
Sustainocratie is een tafel met fysieke mensen die autoriteit toevoegen aan co-creatie voor menselijk belang, harmonische relaties met mens en omgeving, en ethiek