Wanneer wordt gezondheid relevant?

Gezondheid is een maatschappelijke kernwaarde die pas tot voor kort tot ons bewustzijn is doorgedrongen. Veiligheid is er ook een, waaraan zelfs oorspronkelijke maatschappijvorming kan worden gerelateerd. We voelen ons veilig in een maatschappij waarin de kansen tot overleven optimaal zijn. Dit manifesteert zich in werkgelegenheid, evenementen, toegang tot basisbehoeftes maar ook fysieke veiligheid in de vorm van bewaking, regels, wetgeving en het ontbreken van agressie en oorlog.

Gezondheid heeft nog nooit ons echt beziggehouden. Totdat de klimaatverandering, vervuiling en de vele zogenaamde welvaartsziektes ons liet inzien hoe kwetsbaar we zijn als we gezondheid niet als integrale verantwoordelijkheid erkennen. Dat wil niet zeggen dat we ons niet af en toe ongezond mogen gedragen. Het wil zeggen dat ongezondheid niet door ons maatschappijmodel mag worden veroorzaakt.

illness-wellnesscontinuumw

Kijk eens naar dit relevante plaatje. Het neutrale punt geeft een situatie weer waarin geen ziektes noch welzijn prikkels aanwezig zijn. Ons huidige maatschappijmodel gaat uit van dit neutrale punt waarna het zich ontwikkelt vanuit politiek economische belangen. Gezondheid is pas relevant als er signalen van ongezondheid zijn. Dan treedt het mechanisme van symptoombestrijding en behandeling op die bekostigd en gereguleerd wordt uit de politiek economische structuur. Zo hebben we een uiterst kostbare zorgstaat gecreëerd die verantwoordelijkheid neemt voor het “Behandel Paradigma” terwijl het zich laat aansturen door andere belangen.

Er zijn een aantal redenen op te sommen waarom we van maatschappijmodel aan het veranderen zijn. Dit zijn er een paar:

  • De consequenties van de politiek economische zorgstaat zijn zo groot en kostbaar geworden dat van een zorgstaat amper meer sprake is,
  • De consequenties van de lokale en wereldwijde effecten op de natuur blijken de basis van ons voortbestaan als menselijke soort aan te tasten.

Het neutrale punt bestaat dus niet meer als maatschappelijk ankerpunt. Het is een verwijzing geworden waar de maatschappij boven staat binnen de kaders van het “Wellness Paradigm”. In plaats van gezondheidszorg als reactieve maatregel op ons gedrag en beleid creëren we zorg voor gezondheid als integrale verantwoordelijkheid. Dit heeft enorme consequenties voor de manier waarop onze maatschappij functioneert, de rol van de overheid, die van het bedrijfsleven, de wetenschap en de gedragscultuur van de bevolking.

polarity-change-care-2

Dat dit proces veel dieper gaande is dan alleen de Stad van Morgen en haar samenwerkingsverbanden blijkt wel uit de artikelen die landelijk in binnenlands bestuur zijn opgenomen:

* De handen ineen voor een gezonde stad

* De gezonde stad vergt samenwerkende overheden

Kernwaarden lucht en water komen zo aan bot. Luchtkwaliteit is relevant vanuit burgerparticipatie omdat we voor 50% verantwoordelijk zijn voor onze eigen blootstelling aan vervuiling (bron: AiREAS). Water is vooral een overheid aangelegenheid ook al dient waterbewustzijn zeker door te dringen tot de gebruikers. We hebben nog een lange weg te gaan voordat ook voedsel en energie tot de cocreatie en basisverantwoordelijkheden gaan behoren. Doordat de maatschappelijk context verschuift naar het Wellness Paradigma komt bewustwording en educatie structureel in beeld als instrumenten voor duurzame menselijke vooruitgang en de integraal hoog niveau welzijn benadering. Het is een proces dat gaande is en onstuitbaar de toekomst zal bepalen.

Sustainocratie is een noodzakelijke aanvulling op de Parlementaire Democratie

Tijdens het STIR avondcollege van 14 Mei werd het ontstaan en de evolutie van het leven op aarde in verband gebracht met de huidige maatschappelijke werkelijkheid, de crisissen die wij beleven en de complexiteit waar we tegen aan lopen als mens en maatschappij. In dit artikeltje tracht ik het verband van toegevoegde waarde te leggen tussen Sustainocratie en de Parlementaire Democratie.

Bewustzijn

We hebben gezien dat het ontstaan en de evolutie van het leven op Aarde is gebaseerd op een vorm van muzikaal bewustzijn. Het allereerste levensdoel van tot leven komende stoffen is “groei”. Deze oorspronkelijk groeidrang zit moleculair ingebakken in ons eigen leven en dat wat ons omringt als natuur. Groei in een beperkte omgeving is echter nooit oneindig. Zo hebben wij in het college 4 bewustzijnsniveaus besproken:

  1. Groei  –  de natuurlijk drang van elk levend wezen
  2. Concurrentie – de strijd als groei botsingen oplevert
  3. Verandering – confrontaties uit de weg gaan door “anders” te zijn
  4. Symbiose – de kunst van het samen leven

Menselijke doorbraak:

De mens is in haar oorspronkelijke evolutionaire doorbraak doorgestoten naar een unieke situatie op niveau 3 van het “anders” zijn door een zeldzame combinatie van zelfbewustzijn en lichamelijke kenmerken. Dit gaf de mens de vrije ruimte om weer op een hoger niveau 1 van de evolutieladder te beginnen en onbeperkt te gaan groeien in een schijnbaar oneindig grote omgeving, zonder andere natuurlijke groeivijanden dan de mens zelf. Andere menssoorten zijn gaandeweg verdrongen of uitgestorven en alleen onze soort bleef over.

De eerste fase van de mens, enkele miljoenen jaren geleden werd alleen beperkt door de kunst van het vinden van onderdak en voldoende voedsel. Naar verloop van tijd kwam men vaker soortgenoten tegen die ook op zoek waren naar voedsel en groei. De mens werd de concurrent van de mens (niveau 2). Ons bewustzijn ging zich concentreren op de confrontaties met die ene mens. Onze creativiteit richtte zich daarop en daaraan hebben we veel technologische vooruitgang te danken.

Door het vrije spel in de natuurlijk omgeving creëerde de mens onderling een soort menselijk nevenuniversum dat dezelfde evolutionaire bewustzijnsfasen doorloopt als de oorsprong en evolutie van het alle leven samen. Eerst kwam er groei. Daarna concurrentie, met veel technologische uitdagingen om de Darwinistische wet van de sterkste en slimste toe te passen. Dat zien we nog steeds in onze wereldmaatschappijen. Toen de confrontaties te ernstig werden kwam er verandering bij in de vorm van nieuwe samenlevingsvormen en diplomatie. Al die tijd ging alle aandacht naar de mens, de gevaarlijke potentiële conflicten en onze wedijver om uit te blinken in competitieve daadkracht.

Geen enkel moment is er nog bewust aandacht geweest voor fase 4: symbiose o.a. met onze natuurlijke omgeving.

Grote gevolgen

De enorme bevolkingsexplosie, groeiende welvaart en welzijnsniveaus van de mensheid in haar “eigen universum” ontwikkelde al snel gigantische gevolgen voor de natuurlijke omgeving. Deze werden echter pas de laatste halve eeuw zichtbaar. De mens blijkt zo intensief aanwezig vanuit menselijk eigenbelang dat wij onze eigen leefomgeving dreigen te plunderen en vernietigen. Aan de menselijke symbiose die wij voor alle mensen onderling hebben geprobeerd te bewerkstelligen met medezeggenschap, kennisontwikkeling via onderwijs en een Parlementaire Democratie, gebaseerd op vrijheid van meningsuiting, maatschappelijke participatie en stemrecht dient nu ook een symbiose met onze natuurlijke omgeving te worden toegevoegd. Dat is een geheel nieuwe uitdaging op zich.

Vanuit een democratie blijken de gewenste resultaten op dit moment niet bereikbaar. Dat komt door de democratische cultuur die is ontstaan rond eigenbelang.

Eigenbelang

Organische ontwikkelingen van de mens zijn reacties op de gevolgen van de democratische processen en gefragmenteerde structuren rond eigenbelang. Wij vervuilen ons eigen nest op zo’n manier dat wij noodgedwongen weer in aanraking komen met het grotere geheel. De natuurlijke omgeving, waarin wij zijn ontstaan is het echte universum waar wij als mens ons niet gescheiden van ontwikkelen. Klimaatveranderingen, omgevingsvervuiling, culturele confrontaties door migraties, vernietiging van grondstoffen door verkeert en niet circulair gebruik, verstedelijking, welvaartsziektes, criminaliteit, enz. Het zijn allemaal consequenties waar reactief op gereageerd wordt wanneer het al te laat is. De gevolgeneconomie groeit op dit moment met 7% procent per jaar (een verdubbeling elke 10 jaar!!) en is niet meer te bekostigen uit de noodlijdende primaire consumptie economie.

Het menselijke en genetische anthropocene (tijdperk waarin de invloed van de mens op Aarde onuitwisbare gevolgen achterlaat) is volledig aan de gang met een sterke vernietigingskracht voor onszelf. Ondanks de solidariteit van de bevolking met de natuur en omgeving, en ondanks de regelgeving die ontstaat uit deze problemen, zien wij dat de problemen zich alleen maar opstapelen.

De democratie lost het als systeem niet op maar toch dienen wij verantwoordelijkheid te nemen voor ons eigen bewustzijn rond de situatie. Hoe?

Daardoor is Sustainocratie ontstaan, een samenwerkingsvorm rond symbiotische uitdagingen waar alle partijen van een duurzaam vooruitstrevende maatschappij zich hard voor willen maken, het alleen niet kunnen, en zich er samen voor inzetten. Maar dat laatste is een probleem. Want onder wiens autoriteit werkt men samen?

Democratie en Sustainocratie

Onze huidige democratische structuur is niet gebaseerd op bewustzijn of verandering maar op eigenbelang in het verkrijgen en behouden van situaties van overvloed. Democratische overheden worden niet gevraagd om een leiderschapsrol te vervullen voor verandering maar om een maatschappij succesvol te managen rond behoud van een genoten luxe. Maatschappelijke overvloed, vrede en voorspoed maakt gemakzuchtig en hebzuchtig, hetgeen de huidige democratievorm tot onmogelijk instrument maakt voor structurele verandering. Gevolgen zoals klimaatverandering, vervuiling, migraties met cultuurconfrontaties, oorlogen om grondstoffen, schaarste, economische problemen, enz creëren conflicten en crisissen. Deze zijn niet vanuit een democratische consensus oplosbaar.

Nog nooit heeft een meerderheid ergens in de wereld een verandering veroorzaakt. Daarvoor is het in de menselijke maat onmogelijk om overeenstemming te krijgen. Complexe veranderingen komen door chaos, oorlog, opstand en crisissen of door de interactie en samenwerking van minderheden die de vrijheid nemen om de confrontatie aan te gaan met werkelijkheid en verandering door te voeren. Sustainocratie is een georganiseerde multidisciplinaire minderheid ten behoeve van structurele niet democratische verandering.

Sustainocratie werkt onafhankelijk vanuit een duidelijke en permanente menselijke stip op de horizon en gemeenschappelijke besef dat alleen een gezonde, vitale, veilige, zelfredzame menselijke samenleving in symbiotische samenhang met haar natuurlijke omgeving ook een gezonde democratie oplevert. Management en leiderschap zijn twee totaal verschillende belevingen waar je de gemiddelde mens niet mee kunt opzadelen.

Door Sustainocratie (zie plaatsje hieronder) te aanvaarden in een maatschappij (als gemeenschappelijke drijfveer voor integraal menselijk belang binnen de context van de natuurlijke omgeving) kunnen er multidisciplinaire verbanden ontstaan die de maatschappij vrijwaren van crisissen en voeden met nieuwe innovaties die grote chaos, conflicten en depressies voorkomen. We maken functioneel, evolutionair (niet hiërarchisch) leiderschap onderdeel de maatschappelijke beleving als hoogste vorm van bewustzijn. Hieruit ontstaan dan innovaties die uniek zijn en een nieuwe fase van welvaart en groei in kunnen luiden.

Huidige Parlementaire Democratie: concensus van de meerderheid, eigenbelang, vrijheid, verzuiling, gelijkwaardigheid, economische groei, concurrentie, geldafhankelijkheid, economie, zorg, regelgeving, structuur en organisatie: de wetten van de verdeelde massa (management – controle/beter) – focus op behoud

Sustainocratie: universeel menselijke belang, duurzame symbiose,  universele waarden, waardecreatie, multidisciplinaire samenwerking, permanente toegepaste innovatie, toegepaste kennis, democratie gericht op vrijheid van keuzes en prioriteiten, niet van doelstellingen: duurzame menselijke vooruitgang (leiderschap – visie/anders) – focus op verandering

Sustainocratie en Democratie
Sustainocratie en Democratie

Deze yin-yang achtige relatie tussen democratie en sustainocratie dient elkaar steeds weer uit te dagen zodat de democratie zich permanent moderniseert zonder schade aan te richten aan haar omgeving en met behoud van overvloed voor de bevolking.

Sustainocratie mag dan ook niet geïnstitutionaliseerd worden want dan ontwikkelt het zich ook weer als zichzelf instant houdende structuur. Het dient een functionele beweging te zijn die zich voedt vanuit de noodzaak van aanpassing (niveau 3 van bewustzijn) en symbiose tussen mens en de natuur (niveau 4) dat door alle kernpartijen van de maatschappij gedragen wordt. Het leiderschap in Sustainocratie wordt aangestuurd door de omstandigheden van lokale duurzame stabiliteit behoeften (zie hieronder). Het wordt door initiatiefnemers opgezet die niet de baas zijn maar uitnodigen tot de coöperatieve co-creatie vanuit de 5 kernprincipes van harmonie tussen duurzame menselijkheid en natuurlijke omgeving.

  1. Gezondheid
  2. Veiligheid
  3. Welzijn
  4. Toegepaste kennis
  5. Zelfredzaamheid

Alle 5 de thema’s zijn inhoudelijk gebaseerd op de kern van evolutionaire duurzaamheid. Als deze kernfactoren goed worden behartigd zorgen ze voor de juiste integrale vernieuwing. Deze leidt dan weer tot optimale groei en concurrentieperspectieven in de maatschappelijke dynamiek en economische daadkracht zonder onnodige confrontaties met andere groepen of kosten met risico’s door gevolgen. Het geeft dienstbaarheid vanuit innovatiekracht.

Sustainocratie is daarom een noodzakelijke aanvulling op de huidige parlementaire democratie, die deze van een duidelijke stip op de horizon voorziet van menselijkheid waar weer allerlei belangen aan kunnen worden ontleend. Sustainocratie in tegenstelling tot democratie dient niet gefinancierd te worden, alleen opgestart met een minimum aan startkapitaal als katalysator. Dit kapitaal dient alleen om van de maatschappelijke partners het vertrouwen te krijgen door hen middelen te tonen waar men voor gaat samen werken. Die middelen worden als katalysator ingezet.  Sustainocratie is een waardecreatie instrument dat zichzelf bedruipt uit de coöperatieve resultaat gedrevenheid. Waarden die zich bevestigen worden in de economie opgenomen en uitvergroot. Daarvan is een deel voor de vervolgstappen van de Sustainocratie juist omdat Sustainocratie zich altijd in de toekomst plaatst met terugwerking naar het heden. Het is even wennen aan de plek die Sustainocratie in neemt maar daar waar het functioneert zijn de vruchten al zichtbaar.

Sustainocratie is niet democratisch omdat het van algemeen erkend belang is waar altijd voor gekozen dient te worden. Het wordt wel democratisch uitgevoerd in de prioriteitstelling en keuzes van het moment.

Sustainocratie wordt uitgevoerd door minderheden die bereid zijn vanuit menselijk perspectief de eigen professionaliteit en autoriteit te koppelen aan het algemene belang. Het zijn stuk voor stuk mensen met passie voor de mens en menselijke vooruitgang, waarbij ook machtsposities functioneel zijn voor het bereiken van de juiste resultaten.

Precedenten

AiREAS (gezondheid en omgevingskwaliteit), VE2RS (zelfredzaamheid en wederkerigheid met de omgeving) en STIR (bewustzijnontwikkeling en toepassing) zijn concrete voorbeelden van Sustainocratische initiatieven die de democratie aanvullen met een innovatieve dynamiek die voortkomt uit geheel eigen drijfveren (stip van duurzame menselijkheid) anders dan de parlementaire democratie (behoud, groei, concurrentie, welzijn en reactie op gevolgen).

Positionering van Sustainocratisch Ondernemen
Positionering van Sustainocratisch Ondernemen

Welzijn is geen kostenpost

Toen ik naar Nederland terugverhuisde in 2001 kreeg ik de cultuurschok van mijn leven. Wat was er gebeurd met het land dat ik in 1974 formeel achter mij had gelaten en waar ik weer naar terugkeerde na 27 jaar “om mijn kinderen óók de cultuur van papa mee te geven”? Dit was niet de cultuur waarnaar ik terug was gekeerd en het was helemaal niet de cultuur die ik over wilde dragen aan mijn kinderen.

Ik was mij in een klap bewust geworden dat maatschappijen niet altijd hetzelfde blijven, dat zij veranderen, soms ten goede, soms helemaal de verkeerde kant op. Dat laatste was voor mijn gevoel met Nederland gebeurd. Maar wat was er dan zo anders tussen het Nederland van de jaren 60 en 70 van de vorige eeuw en dat van nu? De essentie in het antwoord ligt in de vraag “hoe gaan wij om met menselijk welzijn?”.

In de naoorlogse jaren bouwden wij samen aan een nieuwe maatschappij. Maatschappelijk welzijn werd een van de belangrijke voorwaarden voor het voorkomen van oorlogen zoals de eerste en tweede wereldoorlog. De koude oorlog die erop volgde tussen grootmachten Amerika en Rusland kwam nooit tot een werkelijk handgemeen, ook al heeft het regelmatig op het randje gestaan, omdat de angst van de huidige vernietigingskracht sinds de tweede wereldoorlog er nog stevig in zat.

Ondertussen ontwikkelde Europa een beleid dat gericht was op welzijn. Want mensen in een welzijn situatie gaan niet snel een oorlog met elkaar aan. Daar is dan de basis niet voor uit de angst om welzijn te verliezen. Welzijn betekent dan dat de hele bevolking basiszekerheden geniet waardoor misstanden geen voedingsbodem worden voor sociale onrust en negatieve machtontwikkeling. Maar voor welzijn moet wel hard worden gewerkt. In die jaren 60 en 70 was samenwerking en opbouw een gemeen goed dat vanuit de naoorlogse energie nog algemeen voelbaar was. Toch was de wederopbouw van het land grotendeels klaar en de eerste belangrijke dippen in de maatschappelijke structuur werden voelbaar. Er werden maatregelen getroffen in de vorm van arbeidsduurverkorting e.d. om vooral de spreiding van de overgebleven arbeid te reguleren. Zekerheden waren ondergebracht in voorzieningen die kostbaar waren maar die moesten wel opgebracht worden door een werkende bevolking. Nederland groeide langzaam naar een risicomijdend landje dat vooral haar structuur moest beheersen door een evenwicht te houden tussen arbeid en zekerheden. Er moesten nieuwe wegen gevonden worden om voldoende economisch draagvlak te creeren voor het behoud van die stabiliteit. In Amerika liep men al enige jaren voorop met marketing en een consumptiegedreven maatschappij. In de jaren 70 omarmden de Europese landen stapje voor stapje ook dit maatschappijbeeld van belastbaar eigenbelang. Overvloed van goederenconsumptie werd ook als welzijn gezien en een mooie kans om een economie te creeren die daarop gebaseerd was.

De transformatie werd in gang gezet van een maatschappij die inhoudelijk gericht was op bouwen aan welzijn naar een maatschappij die functioneert rond het consumeren van welzijn. Toen ik dus bijna 30 jaar later terugkeerde naar Nederland was welzijn geen verantwoordelijkheid meer maar een kostenpost. Dat heeft ingrijpende gevolgen gehad voor de landscultuur en structuur. De algemeen maatschappelijke beleving van welzijn was veranderd van een innerlijke zekerheid naar uiterlijk vertoon. In plaats van er zelf hard voor te werken via inzet werd welzijn gezien als recht waarbij het begrip van innerlijke waarden was verworden tot externe waarden.

Toen ik dus in Nederland kwam was die nieuwe materialistische beleving in de cultuur als een koude douche omdat juist die warme opbouwcultuur van Nederland nog in mijn geheugen gegrift stond. De bijkomende problematiek van een cultuur waarin welzijn als consumptief fenomeen wordt gezien is dat de zekerheden opgebouwd worden uit belastingen op consumptie en via verzekeringen terwijl de bevolking alle mogelijke verantwoordelijkheden uitbesteed aan de buitenwereld. De kwaliteit van welzijn is niet meer wat men er zelf maar wat de omgeving ervan maakt. Welzijn is ondergeschikt gemaakt aan institutionele belangen die allen vanuit geld aangestuurd worden. Gezondheidzorg, ouderenzorg, kinderopvang, buitenschoolse activiteiten, politie, kinderbescherming, thuiszorg, enz, zijn allemaal kostenposten.

De overheid dient haar zorgtaak dan vanuit geldgedreven maatsregelen en ontwikkelt een structuur waarin geld en niet de mens de hoofdrol speelt. Zolang de mens maar blijft consumeren zou alles goed moeten gaan want dan spekt de koopkracht de kostbare schatkist. Dat zo’n consumerende mens uiteindelijk kraagzuchtig, gemakzuchtig, hebzuchtig en wat al meer “zuchtig” wordt merkt dan vooral iemand die uit het buitenland terug verhuisd en ermee wordt geconfronteerd. Daarbij kwam dat ik ook in Spanje in een opbouwland had gewoond nadat de dictator Franco in 1975 was overleden. Ik had dus alleen warmte van verantwoordelijkheid meegemaakt en niet de koude van het consumerende eigenbelang.

Mijn Braziliaanse echtgenote kreeg in de verhuiswagen, onderweg naar Nederland, in Parijs een paniekaanval en wilde het liefste rechtsomkeer maken, terug naar Spanje. Dat was onmogelijk omdat we in Spanje onze zaken hadden afgesloten en op weg waren naar een nieuwe toekomst. De koudheid van Nederland was haar spiritueel al tegemoet gereisd maar die gevoeligheid had ik toen nog niet ontwikkeld. In Nederland kregen wij zoveel problemen te verwerken dat uiteindelijk het huwelijk op de klippen liep en ik moest onderduiken met mijn kinderen wegens de aggressie van mijn wederhelft. Haar aggressie was niets vergeleken met de aggressie van de maatschappelijke structuur die geen verantwoordelijkheid wilde nemen om mij te helpen maar vooral van mij verlangde dat ik in het geldsysteem bleef meedraaien. Veiligheid van mijn kinderen was ook een uitbesteedbare kostenpost geworden en ikzelf een instrument om geld te verdienen om vooral veel welzijn te consumeren, zoals het uitbesteden van mijn kinderen. Dat zag ik echter niet als welzijn. De angst voor aggressie en ontvoeringsgevaar kon ik alleen beheersbaar maken door zelf welzijn te creeren.

Welzijn is geen consequentie van geldinvesteringen maar een van eigen verantwoordelijkheid. Dat bewustzijn ontstond bij mij heel direct door een persoonlijke lijdensweg. Mijn natuurlijke omgeving wist niet meer met die verantwoordelijkheid om te gaan en ook niet met het faciliteren ervan in mijn vrijheid om eraan te kunnen voldoen. Ik moest in verzet komen tegen een cultuur die het welzijn van mijn kinderen op een andere manier invulde dan ik, namelijk vanuit het koude van uitbesteding in plaats van de warmte van het gezin. Zo ook de zorg voor de ouderen, minderheden, enz. Het liefst was ik weg gegaan totdat ik inzag dat de rest van de wereld ook dezelfde trekjes begon te vertonen. Weggaan was geen optie, mij inzetten voor een nieuwe cultuur van menselijkheid bleef over. Dat kon ik mijn kinderen beloven.

Voor mij werd duidelijk dat welzijn geen kostenpost mag zijn maar een intrinsieke motivatie om er rechtstreeks verantwoordelijkheid voor te nemen. Onze maatschappij heeft geld geplaatst tussen de mens en haar belangen en daar machtposities aan gerelateerd die alleen het geld dienen maar de afstand vergroten tot de werkelijkheid van menselijke waarden. De mens die zich omringt voelt met het klatergoud van de materiele belangen ziet het probleem niet zo snel behalve dat de kosten schrikbarende proporties aannemen, waar men dan plichtsgetrouw over zal klagen. De maatregelen die de geldgedreven overheid nu denkt te moeten nemen om de geldelijke belangen te incasseren zijn enorm. Maar wat nog veel gevaarlijker is zijn de maatregelen die men denkt te moeten nemen om hen te controleren die aanspraak hebben gemaakt op de zekerheden die ooit gelijkheid moesten scheppen om oorlogen te voorkomen. Deze maatregelen vormen nu de basis van ongelijkheid.

Welzijn is geen kostenpost omdat het dan uiteindelijk alleen ter beschikking komt voor de hoogste bieder en geen enkele zekerheid meer biedt voor degenen die het niet meer kunnen opbrengen. Dan staat de gelijkwaardigheid op het spel waardoor onrust, chaos en opstand op termijn de ruimte krijgen.

Sinds 2001 heb ik het mijn missie gemaakt om de maatschappij weer verantwoordelijkheid te laten dragen door inzet van energie en talent voor ons welzijn door er eerst zelf mee te beginnen. Waar de mens welzijn wil genieten moet de mens zelf voor welzijn zorgen, niet het systeem van uitbestedingen. Dat is sustainocratie, geen kostenpost maar eigen en gemeenschappelijke verantwoordelijkheid.